Naar hoofdinhoud
De colleges verstrekken, voor zover nodig, ter uitvoering van de taken als bedoeld in Artikel 2 mandaat respectievelijk machtiging of volmacht aan het bestuur omtrent: Het beslissen op aanvragen om een individuele (jeugdhulp) voorziening in natura of als pgb; Het ontvangen van hulpvragen; Het verrichten van (voor-)onderzoek, al dan niet op basis van een ondersteuningsplan naar de hulpvraag, het gewenste resultaat en mogelijke oplossingsrichtingen; Het in overleg met de jeugdige/ouders afzien van een gesprek; Het opstellen van een ondersteuningsplan als bedoeld in de verordeningen jeugdhulp van de betreffende deelnemers en het verstrekken hiervan aan de jeugdige/ouders; Het wijzen van jeugdigen, ouders of pleegouders op de mogelijkheid dat zij een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon; Het ontvangen van aanvragen voor individuele voorzieningen in natura of in de vorm van een pgb; Het ontvangen van notificaties ten behoeve van de regiefunctie via de Collectieve opdrachtrouteervoorziening (CORV); Het versturen van berichten en ontvangen van notificaties in het kader van kinderbeschermings- en jeugdreclasseringsmaatregelen via de Collectieve opdrachtrouteervoorziening (CORV); Inwinnen van advies bij specialisten ten behoeve van de beoordeling aanvraag individuele voorziening of de voortgang hiervan; Beslissingen aangaande een persoonsgebonden budget herzien dan wel intrekken als bedoeld in artikel 8.1.4 van de Jeugdwet; Het nemen van een besluit tot toepassing hardheidsclausule als bedoeld in de verordeningen jeugdhulp van de betreffende deelnemers; Het bij het treffen van een individuele voorziening zo nodig in overleg treden met het bevoegd gezag van de school waar de jeugdige schoolgaand is; Het zo spoedig mogelijk treffen van een passende tijdelijke maatregel in spoedeisende gevallen; Pgb zorgovereenkomsten inhoudelijk goedkeuren; Informatie uitwisselen met de sociale verzekeringsbank (SVB) over pgb-cliënten via de webportal “mijn pgb voor gemeenten” van de SVB of enige andere daarvoor op enige moment beschikbare voorziening; Het vooraf inlichten van de jeugdige en zijn ouder(s) over de keuze voor een pgb dan wel een individuele voorziening in natura; Doen van een verzoek tot onderzoek of een maatregel met betrekking tot het gezag over een minderjarige overwogen moet worden bij de raad voor de kinderbescherming (RvdK); Voeren van overleg met de gecertificeerde instelling (GI) over de wijze van verlening van jeugdhulp ter uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering; Het nemen van een besluit dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp en verblijf, niet zijnde verblijf bij een pleegouder, nodig is als bedoeld in artikel 6.1.2 lid 5 Jeugdwet; Doen van een verzoek aan de kinderrechter tot het verkrijgen van een machtiging, spoedmachtiging of voorwaardelijke machtiging tot het opnemen van een jeugdige in een gesloten accommodatie; Overleggen van bescheiden als bedoeld in artikel 6.1.9 lid 1 Jeugdwet; Gehoord worden door de kinderrechter in geval van het verlenen van een machtiging, spoedmachtiging of voorwaardelijke machtiging of in geval van een vervallenverklaring als bedoeld in artikel 6.1.7 Jeugdwet; Doen van mededeling aan de RvdK van het vervallen van de machtiging als bedoeld in artikel 6.1.12, lid 4, Jeugdwet, alsmede van het besluit om geen nieuwe machtiging aan te vragen na afloop van de geldigheidsduur van een machtiging; Richten van een verzoek aan de rechter om in zijn beschikking inzake de machtiging (ex art. 6.1.2, 6.1.3, 6.1.4 Jeugdwet) te bepalen dat deze in plaats van in een geregistreerde gesloten accommodatie ten uitvoer wordt gelegd in een inrichting als bedoeld in artikel 1 Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen; Het nemen van besluiten over verlengen of opschorten van beslistermijnen in verband met aanvragen om individuele voorzieningen en, naar aanleiding van ingebrekestellingen, vaststellen van eventuele dwangsommen op grond van artikel 4:18 van de Algemene wet bestuursrecht; Het verwerken van persoonsgegevens in het kader van de uitvoering van artikel 7.4.0 van de Jeugdwet. Voor zover nodig wordt (het bestuur van) CJG Drimmelen Geertruidenberg door beide colleges aangewezen als persoon als bedoeld in artikel 7.4.0 van de Jeugdwet. Het bestuur is bevoegd om de rechtspositie en de arbeidsvoorwaarden van het personeel van CJG Drimmelen Geertruidenberg vast te stellen. De colleges kunnen bij gezamenlijk besluit andere dan de in het eerste en tweede lid genoemde bevoegdheden aan het bestuur overdragen respectievelijk dienaangaande mandaat, volmacht of machtiging verlenen. Het bestuur is bevoegd om ten aanzien van de bevoegdheden waarvoor aan haar ingevolge het eerste of derde lid van dit Artikel mandaat, volmacht of machtiging is verleend, ondermandaat, ondermachtiging of ondervolmacht te verlenen aan een of meer door het bestuur aan te wijzen personen. Alle bevoegdheden bij of krachtens enige wet die van toepassing is op de bedrijfsvoeringsorganisatie, komen toe aan het bestuur.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel