1. In de gevallen waarin de gemeente een vergunning of ontheffing heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, is het belastingtijdvak de periode waarvoor de vergunning is verleend, met dien verstande dat bij een kalenderjaar overschrijdende geldigheidsduur van de vergunning het belastingtijdvak gelijk is aan het kalenderjaar.
2. Indien de precariobelasting wordt geheven naar jaartarieven is het belastingtijdvak het kalenderjaar waarin de voorwerpen aanwezig zijn.
3. In andere dan de in het eerste en tweede lid bedoelde gevallen, is het belastingtijdvak de in één kalenderjaar gelegen periode gedurende welke zich een belastbaar feit in de zin van deze verordening heeft voorgedaan.