Naar hoofdinhoud

Artikel 7

Ontstaan van de belastingschuld en de heffing naar tijdsgelang

Onderdeel van Verordening parkeerbelastingen 2020

1) De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren, tenzij het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via een telefoon of het internet inloggen op de centrale computer. 2) De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, is verschuldigd op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend. 3) Ontheffing van parkeerbelasting wordt uitsluitend op aanvraag verleend. 4) Indien een vergunning wordt ingetrokken of vervalt, wordt ontheffing van parkeerbelasting verleend over de nog niet ingetreden volle kalendermaanden, waarop de vergunning betrekking heeft. 5) Indien als gevolg van maatregelen getroffen door of met instemming van het gemeentebestuur de vergunninghouder over een gedeelte van het tijdvak waarvoor de vergunning geldt geen gebruik kan maken van de vergunning, wordt ontheffing van parkeerbelasting verleend over het aantal volle kalendermaanden gedurende welke dat gebruik niet mogelijk is geweest. 6) Indien voor een voertuig parkeerbelasting als genoemd in onderdeel 4 van de bij deze verordening behorende tarieventabel is betaald en aannemelijk is dat niet of slechts gedurende een gedeelte van de desbetreffende periode van de parkeermogelijkheid gebruik kan worden gemaakt, wordt ontheffing van parkeerbelasting verleend over het aantal volle kalendermaanden gedurende welke dat gebruik niet mogelijk is geweest.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel