Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 3

Artikel 8.

Regels voor een persoonsgebonden budget (pgb)

Onderdeel van Verordening Jeugdhulp en Maatschappelijke Ondersteuning 2020

Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de Wmo en artikel 8.1.1 van de Jeugdwet. Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de Wmo verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was. De hoogte van een pgb: wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld plan over hoe hij het pgb gaat besteden; wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering; en bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura. Bij de bepaling van de minimale hoogte van een pgb wordt rekening gehouden met het bepaalde in de Wet minimumloon en minimum vakantiebijdrage (Wml); De hoogte van een pgb wordt bepaald op basis van de dienstverlening die anders als zorg in natura zou zijn geleverd. Hierin wordt het volgende onderscheid gemaakt: als de dienstverlening wordt uitgevoerd door een aanbieder betreft het tarief per uur of per resultaat, naar gelang de zwaarte van de beperkingen en mate van begeleidingsbehoefte, 100% van het laagste tarief per uur of per resultaat van een door de gemeente gecontracteerde aanbieder die een vergelijkbare vorm van dienstverlening biedt; als de dienstverlening wordt uitgevoerd door een zzp’er betreft het tarief per uur of per resultaat, naar gelang de zwaarte van de beperkingen en mate van begeleidingsbehoefte, 90% van het laagste tarief per uur of per resultaat van een door de gemeente gecontracteerde aanbieder die een vergelijkbare vorm van dienstverlening biedt; als de dienstverlening wordt uitgevoerd door een persoon uit het sociaal netwerk betreft het tarief per uur of per resultaat, naar gelang de zwaarte van de beperkingen en mate van begeleidingsbehoefte, 50% van het laagste tarief per uur of per resultaat van een door de gemeente gecontracteerde aanbieder die een vergelijkbare vorm van dienstverlening biedt, met een maximum van € 20 per uur zoals bepaald bij wet. Een cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt, kan diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen onder de volgende voorwaarden betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk als: deze persoon hiervoor een tarief hanteert dat 50% bedraagt van het laagste toepasselijke tarief per uur of resultaat dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder, rekening houdend met de Wet minimumloon en minimum vakantiebijdrage en; tussenpersonen of belangenbehartigers niet uit het pgb worden betaald; deze persoon niet overbelast is of overbelast dreigt te worden en deze voldoende gekwalificeerd is om de taken uit te voeren en het geen bedreiging van veiligheid oplevert; Uit het pgb mag niet betaald worden: eigen bijdrage; bemiddelingskosten; loon aan mensen voor het geven van gebruikelijke hulp; uurloon van de zorgverlener die gemaakt zijn voor of na de indicatieperiode; kosten voor belangenbehartigers of tussenpersonen; administratiekosten zoals voor acceptgiro’s; andere zaken waardoor de gestelde doelen niet worden behaald.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel