Naar hoofdinhoud
Als een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor het ‘bouwen van een bouwwerk’ of voor het ‘strijdig gebruik van gronden of bouwwerken’, dan wordt deze aanvraag getoetst aan het bestemmingsplan. In het bestemmingsplan zijn bouwregels en gebruiksregels opgenomen voor gronden en bouwwerken. Als de aanvraag niet past binnen de regels van het bestemmingsplan, en er binnen het bestemmingsplan geen (binnenplanse) afwijkingsmogelijkheden zijn, dan kan eventueel worden afgeweken van het bestemmingsplan met een zogeheten ‘buitenplanse kleine afwijking’. Dit wordt ook wel een kruimelgeval genoemd. De buitenplanse kleine afwijking van het bestemmingsplan is geregeld in artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 2° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) jo. artikel 2.7 en bijlage II, artikel 4 van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Hierin wordt de mogelijkheid geboden om voor bepaalde activiteiten (‘bouwen’ en ‘strijdig gebruik’) af te wijken van het geldende bestemmingsplan. De voorgenomen activiteit moet dan wel vallen binnen één van de categorieën van gevallen uit artikel 4 van bijlage II van het Bor. Na afwijking van het bestemmingsplan zou alsnog een omgevingsvergunning kunnen worden verleend. Deze beleidsregels hebben betrekking op de buitenplanse kleine afwijking. Per categorie van gevallen zal worden aangegeven onder welke voorwaarden we bereid zijn om (buitenplans) af te wijken van het bestemmingsplan. In het algemeen houden deze beleidsregels een nuancering en inperking in van de in het Bor geboden mogelijkheden om af te wijken van het bestemmingsplan. Dit wordt gedaan door het stellen van criteria. Waarom dit beleid, waarom niet alleen het Bor aanhouden? Het college van B&W is wettelijk bevoegd om onder bepaalde omstandigheden bij omgevingsvergunning van het bestemmingsplan af te wijken, maar is daartoe niet verplicht. Voordat het college van B&W besluit een omgevingsvergunning te verlenen, moet een afweging plaatsvinden van de belangen. Dit beleid draagt er aan bij dat het college niet altijd per aanvraag een individuele afweging hoeft te maken. Past een vergunningaanvraag binnen het kader van het Bor en de beleidsregel, dan kan zonder nadere afweging in mandaat een afwijking worden verleend. Hierdoor kunnen vergunningaanvragen zo snel, efficiënt en objectief als mogelijk worden afgehandeld. Bij het beleid is o.a. aansluiting gezocht bij de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de meest recente bestemmingsplannen. Daarnaast is extra beleid geformuleerd bij de afwijkingsmogelijkheden die het Bor biedt. Kortom, voldoet een plan aan het beleid, dan wordt medewerking verleend aan het initiatief. Voldoet het plan niet aan het beleid en niet aan het Bor, dan wordt geen medewerking verleend. Voldoet het plan niet aan het beleid maar wel aan het Bor, dan moet er van uitgegaan worden dat er geen medewerking wordt verleend. Bij het ontbreken van dit beleid, zou het college van B&W telkens een apart besluit moeten nemen voor een verzoek. Het gaat hierbij om tientallen situaties per jaar. Door dit beleid kan team Leefomgeving de betreffende verzoeken zelf in mandaat afhandelen. De afhandelingssnelheid van verzoeken en de efficiëntie worden hiermee vergroot. Ook de rechtsgelijkheid is gebaat bij de vaststelling van dit beleid: in gelijke gevallen wordt namelijk gelijk besloten. Niet voor alle activiteiten die in het Bor zijn opgenomen is een beleidsregel gegeven. Voor activiteiten die niet of zelden voorkomen, is bepaald dat per aanvraag een individuele afweging wordt gemaakt. Daarbij gelden wel de algemene voorwaarden voor afwijking, zoals een goed woon- en leefmilieu. Deze gevallen zullen in beginsel ook in mandaat worden afgehandeld, tenzij een maatschappelijke impact wordt verwacht. Waarom nu? De eerste versie van dit beleid is in 2010 vastgesteld, nadat het Bor op 1 oktober 2010 in werking is getreden. O.a. nadat het Bor op 1 november 2014 ingrijpend is gewijzigd, is in 2015 en begin 2017 een nieuwe versie van dit beleid vastgesteld. In de praktijk blijken zich constant weer nieuwe gevallen voor te doen waar ons beleid niet in voorziet. Om het beleid up to date te houden, is het nu wenselijk om een nieuwe versie vast te stellen. Wat heeft een inwoner van deze gemeente aan dit beleid? Door deze beleidsregels hoeft niet in elk individueel geval een afweging te worden gemaakt. Met dit beleid wordt aangegeven hoe in zijn algemeenheid met planologische afwijkingen zal worden omgegaan voor gevallen die hiervoor in aanmerking komen. Omdat het Bor voorschrijft om welke gevallen het gaat, kan er beleid worden ontwikkeld. Hiermee kan op snellere en eenvoudigere wijze de interne ambtelijke beoordeling plaatsvinden. De beslissing wordt kortheidshalve gemotiveerd met een verwijzing naar deze beleidsregels (artikel 4:82 Awb). Dit is efficiënt en transparant. Daarnaast vergroot de vaststelling van beleidsregels de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid voor de burger. Zowel initiatiefnemer als derde-belanghebbenden kunnen op basis van deze beleidsregels beoordelen of een aanvraag in aanmerking komt om af te wijken van het bestemmingsplan. Dit is klantvriendelijker en levert tijdswinst op. Procedure Voor buitenplanse kleine afwijkingen geldt de reguliere voorbereidingsprocedure uit de Wabo. Dit houdt in dat de aanvraag wordt gepubliceerd in de Wijkse Courant en op www.overheid.nl (gemeenteblad). Binnen acht weken beslist het college op de aanvraag. Deze termijn kan met maximaal zes weken worden verlengd tot veertien weken. In het besluit worden eventuele tegenargumenten en adviezen van derden meegewogen. Het besluit wordt toegezonden aan de aanvrager. Daarnaast wordt het besluit gepubliceerd in de Wijkse Courant en op www.overheid.nl (gemeenteblad). Belanghebbenden krijgen apart bericht. Het besluit treedt in werking de dag na bekendmaking. Binnen zes weken na bekendmaking van het besluit, kan door belanghebbenden bezwaar worden gemaakt bij het college van B&W. Het maken van bezwaar heft de werking van de omgevingsvergunning niet op. Daartoe dient een voorlopige voorziening bij de rechtbank te worden aangevraagd. Principeverzoek Voorafgaand aan een omgevingsvergunningaanvraag is het mogelijk om een principeverzoek in te dienen. Hiervoor staan geen wettelijke termijnen. Voor het in behandeling nemen van het principeverzoek moeten leges worden betaald. De leges van het principeverzoek worden waar mogelijk verrekend met de procedure die behoort bij de afwijking op grond van artikel 2.12, lid1, sub a, onder 2º Wabo. Een besluit over het principeverzoek geeft in een vroeg stadium duidelijkheid over de vraag of het college bij een omgevingsvergunningaanvraag bereid is om af te wijken van het bestemmingsplan. Een aanvrager kan hiermee duidelijkheid krijgen over de kans van slagen van zijn aanvraag zonder al formeel een vergunningaanvraag in te dienen. Het principeverzoek kan met name bij grotere afwijkingen of afwijkingen waarin de beleidsregels niet voorzien een functie hebben. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een gebruikswijziging van een pand. Inhoud Het beleid betreft bijbehorende bouwwerken, bestaande uit aan- of uitbouwen, bouwwerken geen gebouw zijnde, gebouwen ten behoeve van een openbare nutsvoorziening en antenne-installaties. Tenslotte voorziet het Bor in de mogelijkheid om af te wijken van het bestemmingsplan voor wijziging van het gebruik van bouwwerken. De via het beleid toegestane mogelijkheden hebben betrekking op (kleinschalige) ruimtelijke ontwikkelingen. Aangenomen wordt dat dergelijke ontwikkelingen in principe geen inbreuk doen op de privacy, lichtinval, bezonning en uitzicht van omwonenden. Als dit wel het geval is, kunnen omwonenden een beroep doen op planschade. Met de vaststelling van het beleid staat een ontwikkeling die voldoet aan dit beleid niet ter discussie. In voorkomende gevallen is een planschadeovereenkomst aan de orde. Eventueel toe te kennen planschadevergoedingen kunnen daarmee op de aanvrager van de vergunning verhaald worden. Wanneer dit aan de orde is, dan zal de overeenkomst voor besluitvorming door de initiatiefnemer ondertekend moeten zijn.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel