De commissie heeft tot taak burgemeester en wethouders gevraagd en ongevraagd te adviseren over de toepassing van de Erfgoedwet, de Monumentenwet 1988, de Wet op de archeologische monumentenzorg, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de verordeningen van de voormalige gemeenten Noordwijk en Noordwijkerhout te weten de
Erfgoedverordening Noordwijk 2011, de Erfgoedverordening Noordwijkerhout 2010,
de Subsidieverordening gemeentelijke monumenten Noordwijk 2017, de Subsidieverordening onroerend cultureel erfgoed Noordwijkerhout en het gemeentelijk beleid op het gebied van het cultureel erfgoed, waaronder in ieder geval begrepen:
de aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument, of als beschermde cultuurhistorisch waardevolle zaak;
de vergunningen tot wijziging of afbraak van beschermde gemeentelijke monumenten of beschermde cultuurhistorisch waardevolle zaken;
de vergunningen tot wijziging of afbraak van beschermde monumenten;
de aanwijzing als beschermd monument;
de aanwijzing als beschermd dorpsgezicht;
plannen die een wijziging, aantasting of beïnvloeding van de structuur en/of het karakter van een beschermd stads- of dorpsgezicht tot gevolg hebben;
plannen die een wijziging, aantasting of beïnvloeding van de beschermde waarden zoals vastgelegd op cultuurhistorische waardenkaart, archeologische waarde- verwachting en beleidsadvieskaart en de bouwhistorische verwachtingskaart van de gemeente Noordwijk tot gevolg hebben;
ruimtelijke plannen waarbij beschermde cultuurhistorische waarden aanwezig zijn in het plangebied.
het aanbrengen van reclame-uitingen op of aan rijks- of gemeentelijke monumenten, aan beschermde cultuurhistorisch waardevolle zaken of binnen een door het rijk of de gemeente beschermd dorpsgezicht.
De commissie kan één of meer van haar leden mandateren om namens de commissie een advies uit te brengen over de onder a tot en met i genoemde onderwerpen. De commissie kan een van haar leden mandateren voor de behandeling van reguliere vergunningsaanvragen op basis van de vastgestelde welstandsnota.
Artikel 2.