Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 3 › Paragraaf 3.1

Artikel 10.

Aflossingscapaciteit bij uitstroom uit de uitkering en bij debiteuren die geen recht hebben op een uitkering

Onderdeel van Besluit van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld tot vaststelling van de Beleidsregels terugvordering PW, IOAW/IOAZ en Bbz gemeente Barneveld

1.. Na beëindiging van de uitkering blijft, in geval van een lening waarop al werd afgelost, de aflossingscapaciteit, zoals vastgesteld op grond van artikel 9, ongewijzigd. 2.. Na beëindiging van de uitkering bedraagt in geval van een bestaande vordering waarop al werd afgelost, de aflossingscapaciteit met ingang van de eerste kalendermaand na de maand waarin de uitkering is beëindigd, de conform artikel 9 vastgestelde aflossingscapaciteit vermeerderd met: 75% van het in aanmerking te nemen meerinkomen inclusief vakantiegeld als sprake is van een fraudevordering of een vordering voortvloeiende uit een opgelegde bestuurlijke boete of maatregel; 50% van het in aanmerking te nemen meerinkomen inclusief vakantiegeld in geval van overige vorderingen. 3.. Het in aanmerking te nemen meerinkomen als bedoeld in het voorgaande lid bedraagt: als een bijstandsnorm als vermeld in artikel 21 PW van toepassing is: dat gedeelte van het maandinkomen dat meer bedraagt dan de toepasselijke bijstandsnorm; als een jongerennorm als bedoeld in artikel 22 PW van toepassing is: dat gedeelte van het maandinkomen dat meer bedraagt dan 100% van het maandinkomen als bedoeld in artikel 475da lid 4 Rv; als een kostendelersnorm als vermeld in artikel 22a PW van toepassing is: dat gedeelte van het maandinkomen dat meer bedraagt dan 100% van het maandinkomen als bedoeld in artikel 475da lid 4 Rv; als sprake is van een belanghebbende zonder vaste woon- en verblijfplaats: dat gedeelte van het maandinkomen dat meer bedraagt dan de berekende beslagvrije voet vermeerderd met 5% van de op belanghebbende toepasselijke bijstandsnorm als vermeld in artikel 21PW; in geval van een belanghebbende die ter verzorging of verpleging in een daartoe bestemde inrichting is opgenomen: dat gedeelte van het maandinkomen dat meer bedraagt dan de som van: de prijs die is verschuldigd voor de verzorging dan wel verpleging; het volledige bedrag van de bijstandsnorm als bedoeld in artikel 23 lid 1 PW; het volledige toepasselijke bedrag van de verhoging als bedoeld in artikel 23 lid 2 PW, voor zover het de berekende wettelijke beslagvrije overstijgt, waarbij de maximale beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475da lid 1 Rv in acht wordt genomen. 4. . Als ten gevolge van de intrekking en/of beëindiging van de uitkering een vordering ontstaat, dan wordt de aflossingscapaciteit vastgesteld conform lid 2 en 3. 5. . Als na de periode van uitkeringsverstrekking een vordering ontstaat en er nog geen aflossingscapaciteit vastgesteld is, dan wordt die vastgesteld conform lid 2 en lid 3.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel