Naar hoofdinhoud
Het is mogelijk dat een gewenste ruimtelijke ontwikkeling wordt beperkt door de regels van een geldend bestemmingsplan. Daarom zijn in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) regels opgenomen die het mogelijk maken om af te wijken van een bestemmingsplan. De Wabo benoemt drie mogelijke afwijkingen, namelijk de binnenplanse afwijking, de kleine buitenplanse afwijking (‘kruimelgevallenregeling’), al dan niet met een tijdelijke instandhoudingstermijn en het Wabo projectbesluit. Afwijkingsbesluiten worden genomen in de vorm van het verlenen van een omgevingsvergunning ‘handelen in strijd met de regels Ruimtelijke ordening’. Het College van B&W is het bevoegde gezag voor het nemen van deze besluiten. Voor de drie mogelijke afwijkingsbesluiten wordt een vaste werkwijze gehanteerd om te beoordelen of medewerking mogelijk is. Maatwerk binnen deze werkwijze is leidend. Aanvullend hierop gelden een aantal vaste toetsingscriteria om willekeur en rechtsongelijkheid te voorkomen. Iedere aanvraag (vooroverleg) voor een omgevingsvergunning die niet ‘bij recht’ past binnen het bestemmingsplan en niet past binnen het afwijkingsbeleid, wordt geagendeerd voor het planologisch overleg. Dit is een wekelijks terugkerende overlegvorm op ambtelijk en bestuurlijk niveau, waarbinnen vanuit verschillende vakdisciplines wordt beoordeeld of medewerking kan worden verleend. Op deze manier vindt per aanvraag een gedegen en integrale afweging plaats. De binnenplanse afwijking en buitenplanse ‘kruimelgevallen’ Alle gemeentelijke bestemmingsplannen kennen binnenplanse afwijkingsmogelijkheden. Aan deze afwijkingsmogelijkheden worden algemene en specifieke criteria genoemd waaraan voldaan moet worden. Op basis van deze randvoorwaarden en rekening houdend met neergelegde visies en beleidskaders van het Rijk, provincie en de gemeente, zal er in deze beleidscyclus ook afwijkingsbeleid worden opgesteld. Kan er op basis van het afwijkingsbeleid geen medewerking worden verleend, dan wordt tijdens het Planologisch Overleg nader beoordeeld of medewerking (maatwerk) mogelijk is. In het geval dat het gaat om een buitenplanse afwijking (kruimelgeval) zal er door de aanvrager een ruimtelijke onderbouwing moeten worden opgesteld. Daarnaast moet er, voordat tot de planologische maatregel wordt besloten, een planschadeverhaalovereenkomst worden afgesloten, indien planschade op basis van klaarblijkelijkheid niet kan worden uitgesloten. Wabo projectbesluit Als er geen binnenplanse vrijstellingsmogelijkheden zijn, noch dat er de planologische strijdigheden in de kruimellijst staan, dan is er nog een mogelijkheid om met het ‘Wabo projectbesluit’ af te wijken van het bestemmingsplan. Met een dergelijke planologische maatregel kan in principe alles planologisch worden geborgd. Uiteraard zal dit besluit genoegzaam moeten worden gemotiveerd middels een ruimtelijke onderbouwing en mag de planologische maatregel niet in strijd zijn met andere wet en regelgeving. Voornemens van besluitvorming dienen vanuit het Besluit omgevingsrecht voor advisering te worden voorgelegd aan de vaste wettelijke overlegpartners, zoals Provincie en het Waterschap. Hier bovenop geldt als aanvullende eis dat B&W deze vergunning alleen kan verlenen als de Gemeenteraad vooraf heeft verklaard hiertegen geen bedenkingen te hebben. De Gemeenteraad kan ook een algemene lijst van gevallen vaststellen waarin de Raad op voorhand aangeeft in welke gevallen hij geen bedenkingen heeft. Voor het verlenen van medewerking om te komen tot een omgevingsvergunning op basis van het Wabo projectbesluit, kunnen de volgende criteria van toepassing zijn: De activiteit moet passen binnen de geldende of in ontwerp neergelegde visies en beleidskaders van het Rijk, provincie en de gemeente. De ruimtelijke uitstraling van de ontwikkeling moet passen binnen het (woon)gebied. Er mag geen aantasting plaatsvinden van het woon- en leefmilieu die niet redelijkerwijs te verwachten valt in de betreffende omgeving. De aanwezige waarden waaronder stedenbouwkundige, cultuurhistorische of landschappelijke waarden mogen niet nadelig worden beïnvloed door de activiteit. Er moet sprake zijn van een normale afwikkeling van verkeer en er mag geen sprake zijn van een onaanvaardbare parkeerdruk. De regel is dat parkeren op eigen erf dient plaats te vinden of dat de initiatiefnemer op eigen kosten parkeerplaatsen aanlegt in het openbaar gebied. De ontwikkeling mag geen onevenredige afbreuk doen aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken en/of belangen van belanghebbenden. De ontwikkeling moet voldoen aan de wettelijke eisen ten aanzien van milieu. Het afdichten van een mogelijk planschaderisico met een planschadeverhaalsovereenkomst (kruimelgevallenregeling) De economische uitvoerbaarheid van de ontwikkeling moet in beeld worden gebracht, inclusief het afdichten van een mogelijk planschaderisico met een planschadeverhaalsovereenkomst (Wabo projectbesluit). Op basis van de hierboven genoemde criteria wordt tijdens het Planologisch Overleg beoordeeld of (principe) medewerking mogelijk is.

Rechtspraak bij dit artikel