**1..** Voor uittreding uit de regeling wordt een opzegtermijn van ten minste één jaar in acht genomen. Gedurende drie jaar na de datum van toetreding tot de regeling is uittreding niet mogelijk.
**2..** Het voornemen tot uittreding wordt door het betreffende college bij aangetekende kennisgeving aan het bestuur van het samenwerkingsverband meegedeeld.
**3..** Na ontvangst van de in het tweede lid vermelde kennisgeving wordt een in overleg met de uittredende deelnemer aan te wijzen onafhankelijke derde opdracht verleend een uittredingsplan op te stellen als ware tot opheffing van de regeling besloten.
**4..** Op grond van het in het derde lid opgestelde uittredingsplan besluit het college dat een kennisgeving als bedoeld in het tweede lid heeft gedaan of daadwerkelijk tot uittreding wordt overgegaan. Het college besluit hier niet toe dan nadat het toestemming van zijn vertegenwoordigend orgaan heeft gekregen als bedoeld in artikel 61, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen.
**5..** Wanneer toepassing wordt gegeven aan het vierde lid, stelt het bestuur het uittredingsplan vast. De in het uittredingsplan omschreven financiële verplichtingen zijn voor de uittredende deelnemer bindend.
**6..** Nadat het uittredingsplan is vastgesteld is de uittredende deelnemer gehouden om binnen zes maanden de daarin voor hem omschreven financiële verplichtingen aan het samenwerkingsverband te voldoen.
**7..** De kosten van het opstellen van het uittredingsplan komen voor rekening van de deelnemer die het voornemen heeft om uit te treden.
**8..** Een nadere uitwerking van dit artikel is gegeven in de Uittredingsregeling gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht.
Hoofdstuk 5: › Hoofdstuk 6:
Artikel 49:
Uittreding
Onderdeel van Gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht 2020