Naar hoofdinhoud
1. De accountant bepaalt binnen het kader van de opdrachtverlening de wijze, waarop de accountantscontrole wordt ingericht, alsmede de aard en de omvang van de daarbij behorende werkzaamheden. 2. De accountant bepaalt binnen het kader van de opdrachtverlening de frequentie van de uit te voeren controles. 3. Ter bevordering van een efficiënte en doeltreffende accountantscontrole vindt voorafgaande aan de controle (afstemmings-)overleg plaats tussen de accountant en (een vertegenwoordiger uit) de raad; (een vertegenwoordiger van) de rekenkamer(functie)(m.i.v. 1 januari 2006); de portefeuillehouder financiën; de gemeentesecretaris, de controller en de administrateur.

Rechtspraak bij dit artikel