Met inachtneming van artikel 2.3.2, vierde, vijfde en zesde lid, van de wet, onderzoekt het college zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken na ontvangst van de melding, de behoefte aan ondersteuning in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel zijn vertegenwoordiger en desgewenst familie om de zelfredzaamheid of de maatschappelijke participatie te handhaven of te verbeteren.
In aanvulling op hetgeen is bepaald in artikel 2.3.2, vierde, vijfde en zesde lid, van de wet, betrekt het college de volgende aspecten in het onderzoek:
het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning;
algemeen gebruikelijke voorzieningen;
voorliggende voorzieningen;
andere voorzieningen en
de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken.