Naar hoofdinhoud
2.2.1. Gewijzigde omstandigheden Naast deze laatste verplichting die voortvloeit uit de financiële verordening zijn er nog andere redenen te benoemen waarom de nota moet worden geactualiseerd. Sinds 2013, is de gebiedsontwikkeling aan wijzigingen onderhevig geweest. Na de vaststelling van de laatste Nota heeft Nederland nog steeds te maken gehad met de gevolgen van de economische crisis en het herstel daarvan. De oorzaken waren met name macro-economisch van aard, waar de gemeenten zelf weinig aan konden doen. Met name de vastgoedcrisis heeft grote gevolgen gehad voor de financiële positie van de gemeentelijke grondexploitaties en de wijze waarop door gemeenten nu wordt aangekeken tegen gebiedsontwikkeling. Veel gemeenten zijn in de crisisperiode afgestapt van een actieve grondpolitiek en nu de economie “hersteld” is beraden gemeenten zich op een nieuwe te voeren grondpolitiek Tot het begin van de crisis voerden veel gemeenten veelal een sterk actief grondbeleid. Dit betekent dat gemeenten vaak zelf overgingen – al dan niet met partners – tot de exploitatie van grond ten behoeve van de realisatie van haar doelen. In de vastgoedcrisis hebben gemeentelijke grondbedrijven grote verliezen geleden op hun grondposities. Een gevolg daarvan is dat sprake is geweest van een kanteling waarbij veel gemeenten meer overlaten aan marktpartijen en terughoudender zijn met het ingrijpen op de grondmarkt. Er zijn voor de gemeente Leiderdorp diverse aanleidingen geweest om de Nota grondbeleid te actualiseren. Deze zijn: De Nota grondbeleid 2013 – 2017 “Grondslagen van het grondbeleid ging over de periode van 2013 tot en met 2017. Het is de wens van de gemeente om haar beleid actueel te houden. Er is een nieuwe raads- en collegeperiode ingegaan met een nieuw coalitieakkoord. De gemeentelijke organisatie is naar zelfsturende teams gegaan en het Projectmatig Realiseren (PMR) is geactualiseerd. Het sportbeleid van de gemeente is aangepast met arrangementen ten aanzien van huur en erfpacht van grond. De ruimtelijke structuurvisie van de gemeente is opgesteld alsmede diverse gebiedsvisies. De bestemmingsreserve W4 is opgeheven en opgegaan in de reserve “Bouw- en grondexploitaties”. 2.2.2. Gewijzigde regelgeving In het verleden probeerde de gemeente veelal via actief grondbeleid (grond verwerven, bouw- en woonrijp maken, uitgeven bouwrijpe kavels) een gewenst eindbeeld te behalen. De invoering van de grondexploitatiewet in 2008 maakte het mogelijk dat met het voeren van een faciliterend grondbeleid de gemeente verzekerd is van kostenverhaal bij derden ontwikkeling. Omdat dit vóór de invoering van deze wet niet vanzelfsprekend was, waren gemeenten eerder geneigd een actief grondbeleid te voeren zodat de kosten konden worden gedekt door de uitgifte van bouwrijpe grond. Daarnaast heeft de gemeente met de invoering van de grondexploitatiewet ook de mogelijkheid om via het exploitatieplan of een (anterieure) overeenkomst eisen te stellen met betrekking tot fasering, kwaliteitseisen voor de in te richten openbare ruimte en enkele specifieke te realiseren woningtypologieën, zoals sociale woningen, geliberaliseerde woningen voor middenhuur en percelen voor particulier opdrachtgeverschap. 2.2.3. Verslagleggingsregels Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) Per 1 januari 2016 zijn de spelregels rondom de financiële verslaglegging rondom grondexploitaties en strategische gronden gewijzigd. Zo mag de looptijd van de grondexploitaties in beginsel niet langer zijn dan 10 jaar, tenzij de gemeenteraad gemotiveerd anders besluit, mogen alleen nog kosten in de grondexploitatie worden opgenomen die betrekking hebben op de transformatie van ruwe grond naar bouwrijpe grond en op de strategische gronden mogen geen rentelasten en beheerkosten worden geactiveerd. Strategische gronden dienen als materiele vaste activa te worden opgenomen op de balans. Voorbereidingskosten worden geboekt als immaterieel vaste activa. Ook de regels rondom de toerekening van rentekosten aan de grondexploitaties zijn gewijzigd. Een toelichting op deze nieuwe ‘spelregels’ is in deze nota opgenomen. 2.2.4. Nieuwe Omgevingswet Om het bestaande omgevingsrecht te vereenvoudigen, wordt het omgevingsrecht samengevoegd in één integrale Omgevingswet. De verwachting is dat de Omgevingswet 2021 in werking treedt. De gemeente zal zich moeten richten op het opstellen van een omgevingsvisie en een omgevingsplan. De omgevingsvisie geeft de gemeente meer ruimte om in samenspraak met de samenleving na te denken over de gewenste ontwikkelingen. Met het omgevingsplan kan de gemeente vervolgens de juiste randvoorwaarden meegeven en ruimte geven aan marktpartijen. De Omgevingswet faciliteert een meer vraaggericht, uitnodigend en flexibel grondbeleid met meer ruimte voor initiatieven uit de markt. Zo wordt het makkelijker om ruimtelijke projecten te starten en biedt de Omgevingswet betere mogelijkheden voor uitnodigingsplanologie. De Aanvullingswet grondeigendom bevat een kostenverhaalsregeling, een onteigeningsregeling en een regeling omtrent voorkeursrechten, welke regelingen in de Omgevingswet verwerkt zal worden. 2.2.5. Wet Voortgang Energietransitie (Wet Vet) Op 1 juli 2018 is de Wet Vet in werking getreden, hetgeen betekent dat per 1 juli 2018 nieuwbouwwoningen aardgasvrij moeten zijn. De gemeente heeft hiermee rekening gehouden in haar grondbeleid.

Rechtspraak bij dit artikel