Naar hoofdinhoud
1.. Aan de directeur wordt mandaat respectievelijk machtiging (volmacht) verleend ten aanzien van de uitvoering van de volgende bevoegdheden c.q. onderwerpen: verzorgen van het dagelijks beheer van de gronden en opstallen, inclusief alle handelingen die noodzakelijk of gewenst zijn in het belang van de voortgaande exploitatie daarvan (waaronder tevens onderhoud, het afhandelen van meldingen over het onderhoud, schadeherstel en –verhaal, aangaan en doorbelasting van verzekeringen, premies en belastingen); uitvoeren van toezicht en handhaving van de APV; inkoop van diensten, leveringen en werken; aanvragen van vergunningen, ontheffingen en vrijstellingen of andere toestemmingen hoegenaamd ook bij andere overheden; doelmatig financieel/economisch beheer van bestaande zakelijke rechten en overeenkomsten (zoals erfpacht- en opstalovereenkomsten, erfdienstbaarheden, huur/verhuur/bruikleen/ingebruikgeving- en pachtovereenkomsten en jacht- en visrechten) inclusief het verrichten van alle hiervoor noodzakelijke en samenhangende werkzaamheden en met gebruikmaking van de bevoegdheden die op grond van de wet en de overeenkomst of zakelijke en eigendomsrechten aan de gemeente toekomen, inclusief het innen van de inkomsten uit deze overeenkomsten; vestigen van zakelijke rechten; aangaan van nieuwe overeenkomsten, zoals voor erfpacht en opstalovereenkomsten, erfdienstbaarheden en huur-, verhuur-, bruikleen-, ingebruikgeving- en pachtovereenkomsten en het ondertekenen van deze overeenkomsten. 2.. De directeur neemt bij de aan hem in mandaat opgedragen bevoegdheden de algemene instructies en de instructies per geval van het college in acht, als bedoeld in artikel 10:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel