De raad stelt de grondexploitatie vast met een overzicht van kosten en baten gekoppeld aan de ruimtelijke kwaliteit en het programma.
Investeringen, anders dan voorbereidingskosten, vinden niet eerder plaats dan nadat een grondexploitatie is opgesteld.
Fundamentele planwijzigingen worden aan de raad voorgelegd inclusief financiële consequenties voor de grondexploitatie.
De Raad autoriseert via de begroting jaarschijf T+1 van de Eigen grondproductie. De begrotingscijfers van jaar T+1 worden bij de MPG behorende bij de jaarrekening van jaar T geactualiseerd.
Er wordt jaarlijks via de begrotingssystematiek jaarbudget aangevraagd op basis van inschattingen van kosten en baten per jaarschijf in de grondexploitatie. Gezien het bedrijfseconomische (jaar overschrijdende) karakter van de grondexploitaties kunnen investeringen later dan wel eerder plaatsvinden. Indien investeringen binnen het ruimtelijke en financiële kader van de grondexploitatie vallen dan wordt het college gemachtigd deze uit te laten voeren.
Het college wordt gemachtigd om onvoorziene (niet in de grondexploitatie opgenomen) maar echter direct noodzakelijke en verhoudingsgewijs kleine investeringen uit te laten voeren.
Verantwoording over bovenstaande artikelen vindt plaats bij de jaarrekening in de MPG.
De MPG bevat een jaarlijkse bedrijfseconomische analyse en doorrekening van alle complexen waarbij op basis van een eindwaardeberekening een financiële doorkijk wordt gemaakt van de grondexploitaties (BIE). Elk BIE complex wordt daartoe tenminste eens per jaar geactualiseerd. Winstnemingen dan wel verliezen van de eigen grondproductie worden ten gunste dan wel laste van de Egalisatiereserve Grondexploitaties gebracht.
Wanneer in een BIE met een exploitatieberekening kosten worden opgenomen die hoger zijn dan hetgeen langs de publieke weg (exploitatieplan Wro 6.12.) zou kunnen worden gefactureerd bij Particuliere zelfrealisatie, dan worden die hogere kosten tegelijk met het nemen van de Ruimtelijke maatregel expliciet aan de Raad kenbaar gemaakt met achtergrond en motivering.
Hoofdstuk 4.
Artikel 7.