Naar hoofdinhoud
1. De aanwijzing van de plaats van het graf geschiedt met inachtneming van het bepaalde in artikel 8 van deze verordening door de beheerder. 2. Tot de begraving of bijzetting wordt niet overgegaan dan nadat: a. de beheerder heeft geconstateerd dat aan de in de artikelen 11 en 12 van deze verordening opgenomen vereisten is voldaan en vervolgens opdracht heeft gegeven aan het personeel van de begraafplaats. b. bij begraving van een stoffelijk overschot het personeel van de begraafplaats de identiteit van het stoffelijk overschot heeft vastgesteld door vergelijking van het op de kist of een ander lijkomhulsel vermeld registratienummer met het bijgevoegd document dat tevens de naam/namen, overlijdens- en geboortedatum van de overledene dan wel de geslachtsnaam van de levenloos geborene bevat.

Rechtspraak bij dit artikel