1. De aanwijzing van de plaats van het graf geschiedt met inachtneming van het bepaalde in artikel 8 van deze verordening door de beheerder.
2. Tot de begraving of bijzetting wordt niet overgegaan dan nadat:
a. de beheerder heeft geconstateerd dat aan de in de artikelen 11 en 12 van deze
verordening opgenomen vereisten is voldaan en vervolgens opdracht heeft gegeven aan het
personeel van de begraafplaats.
b. bij begraving van een stoffelijk overschot het personeel van de begraafplaats de identiteit
van het stoffelijk overschot heeft vastgesteld door vergelijking van het op de kist of een
ander lijkomhulsel vermeld registratienummer met het bijgevoegd document dat
tevens de naam/namen, overlijdens- en geboortedatum van de overledene dan wel de
geslachtsnaam van de levenloos geborene bevat.
Hoofdstuk 5
Artikel 13
.
Onderdeel van Verordening op het gebruik en het beheer van de gemeentelijke begraafplaatsen in de gemeente Twenterand 2013