Een in deze gemeente woonachtige ouder als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen kan op grond van een sociaal-medische indicatie aanspraak maken op bijzondere bijstand voor de kosten van de kinderopvang voor (het) thuiswonende kind(eren) indien vastgesteld is dat:
één of meer lichamelijke, zintuiglijke, verstandelijke of psychische beperkingen van de ouder opvang van het kind of de kinderen noodzakelijk maken, en ondersteuning door het Centrum Jeugd en Gezin wordt aanvaard of,
kinderopvang in het belang van een goede en gezonde ontwikkeling van het kind noodzakelijk is en,
voor zover andere voorzieningen geen passende oplossing kunnen bieden
Vaststelling noodzaak en periode kinderopvang
Burgemeester en wethouders stellen aan de hand van de bij de aanvraag overgelegde informatie vast of er een noodzaak voor kinderopvang aanwezig is en wat de omvang daarvan is
In afwijking van het eerste lid, kunnen burgemeester en wethouders voor het vaststellen van de noodzaak en de omvang van de kinderopvang een onafhankelijke instantie om advies vragen
De hoogte van de bijzondere bijstand komt overeen met de kosten van de noodzakelijke kinderopvang, zij het dat:
de uurprijs die bij het bepalen van de hoogte van de bijzondere bijstand in aanmerking wordt genomen, gelijk is aan de uurprijs die bij de hoogte van de kinderopvangtoeslag in aanmerking wordt genomen als bedoeld in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen.
Hoofdstuk
Artikel 47.
Bijzondere bijstand voor kinderopvang bij sociaal-medische gronden
Onderdeel van Beleidsregels bijzondere bijstand en minimabeleid Leidschendam-Voorburg 2019