Beleidsregel 2.7.1 indicatie collectieve vervoersvoorziening:
Een cliënt kan voor een collectieve vervoersvoorziening in aanmerking worden gebracht indien beperkingen het gebruik van het reguliere openbaar vervoer of het bereiken van het reguliere openbaar vervoer onmogelijk maken en de cliënt een regionale vervoersbehoefte heeft.
Wet- en regelgeving: Wmo artikel 1.1.1, Verordening artikel 7 en artikel 11 lid 4
Voor de vervoersbehoefte van cliënten die geen gebruik kunnen maken van het reguliere openbaar vervoer is een collectief vervoerssysteem in het leven geroepen, "de Regiotaxi Waterweg". De Regiotaxi Waterweg zorgt voor vervoer van deur-tot-deur. De Regiotaxi Waterweg beschikt over adequaat vervoer voor de gehele doelgroep, inclusief de rolstoel- en scootermobielgebruikers.
De Regiotaxi Waterweg rijdt dagelijks van 7.00 tot 24.00 uur. Het vervoersgebied bestaat uit een intern vervoersgebied (het grondgebied van de gemeenten Schiedam, Vlaardingen en Maassluis) aangevuld met een extern vervoersgebied. Dit externe vervoersgebied is het gebied tot en met 5 openbaar vervoer zones vanaf het woonadres van de cliënt. Dit betekent dat het externe vervoersgebied voor cliënten uit de regio Nieuwe Waterweg Noord per woonplaats kan verschillen.
Criterium:
loopafstand van minder dan 800 meter.
De cliënt die in aanmerking komt voor een pas voor de Regiotaxi Waterweg kan tegen betaling van een gereduceerd tarief reizen.
Beleidsregel 2.7.2 begeleiding collectieve vervoersvoorziening:
Een cliënt komt in aanmerking voor een pas met begeleiding bij het reizen met een collectieve vervoersvoorziening, indien vervoer zonder begeleiding tijdens de rit niet verantwoord is.
Wet- en regelgeving: Verordening artikel 7 en artikel 11 lid 4
Bij een begeleiderspas voor het collectief vervoer is de cliënt verplicht om onder begeleiding te reizen. Kinderen tot 12 jaar komen alleen in aanmerking voor een pas met begeleiding.
Indien een cliënt tijdens het vervoer afhankelijk is van noodzakelijke begeleiding, komt de ritprijs voor deze begeleider ten laste van het college.
Een cliënt die niet afhankelijk is van begeleiding, mag één persoon laten meereizen tegen het gereduceerde tarief.
Beleidsregel 2.7.3 primaat collectieve vervoersvoorziening:
Een cliënt kan voor een individuele vervoersvoorziening (taxi of rolstoeltaxi) in aanmerking worden gebracht indien hij niet in staat is om het collectief vervoer te gebruiken en een (eigen) auto niet beschikbaar is of niet bruikbaar is voor de cliënt.
Wet- en regelgeving: Verordening artikel 7 lid 7
Bij de selectie van de goedkoopst compenserende vervoersvoorziening geldt het uitgangspunt: collectief als het kan en individueel als het moet.
Uitzondering collectief vervoer:
een noodzakelijke vervoersbehoefte/vervoersfrequentie die niet mogelijk is met het collectief vervoer.
Beleidsregel 2.7.4 omvang vervoersvoorziening:
Bij vervoersvoorzieningen geldt als uitgangspunt lokale bestemmingen (tot circa 15-20 km vanaf het woonadres) met een vervoersbehoefte tot maximaal 1500 km per jaar.
Wet- en regelgeving: Verordening artikel 7 lid 4 en lid 7
Het gaat om maatschappelijke participatie in de nabije woon- en leefomgeving. Voor verder weg gelegen bestemmingen kan gebruik worden gemaakt van Valys.
Uitzonderingen:
wanneer er sprake is van bovenregionaal contact met een persoon of personen, die uitsluitend door de cliënt zelf bezocht kan/kunnen worden en dit bezoek noodzakelijk is voor de cliënt om dreigende vereenzaming te voorkomen;
bijzondere bestemmingen die de cliënt buiten de nabije woonomgeving moet bereiken omdat deze niet in de nabije woonomgeving beschikbaar zijn en gebruik van Valys hiervoor niet mogelijk is.
Beleidsregel 2.7.5 fietsvoorziening:
Een fietsvoorziening kan worden verstrekt indien de cliënt geen gebruik kan maken van een reguliere, algemeen gebruikelijke fiets.
Wet- en regelgeving: Verordening artikel 1, artikel 4 lid 1 sub c en artikel 7
Criteria:
de cliënt heeft een loopafstand van meer dan 100 meter en minder dan 800 meter;
de fiets gaat frequent gebruikt worden;
fietsen maakte al deel uit van het verplaatsingspatroon/van het dagelijks functioneren;
de fiets biedt een oplossing voor een relevant deel van de vervoersbehoefte;
er is geen alternatieve of goedkopere vervoersmogelijkheid;
een geschikte stallingsruimte is aanwezig.
Een fietsvoorziening wordt eigendom van de cliënt en wordt eenmaal in de 7 jaar verstrekt. Een uitzondering hierop kan gemaakt worden voor een kind die in korte tijd zodanig is gegroeid dat de maatvoering van de voorziening niet meer passend is.
De cliënt is verantwoordelijk voor onderhoud en verzekering.
Beleidsregel 2.7.6 scootermobiel:
Een scootermobiel wordt slechts verstrekt als het voor de cliënt een noodzakelijk vervoermiddel in het dagelijks leven is ten behoeve van het voeren van een zelfstandig huishouden.
Wet- en regelgeving: Verordening artikel 7
Criteria:
de cliënt heeft een loopafstand van maximaal 100 meter;
de scootermobiel gaat frequent gebruikt worden en niet alleen voor recreatieve verplaatsingen;
er is een geschikte mogelijkheid tot veilig, overdekt en afgeschermd stallen in of bij de woning, die de
cliënt zelfstandig kan bereiken.
de cliënt heeft geen functiestoornissen waardoor deelname aan het verkeer niet verantwoord is (visus, gehoor, arm-, hand- en schouderfuncties, bewustzijn, inschattings- en reactievermogen en dergelijke).
Bij de advisering van een scootermobiel wordt altijd eerst gekeken of een compacte/standaard scootermobiel (zonder extra vering) een adequate oplossing biedt. Is deze om medische of antropometrische redenen niet adequaat dan kan een ander model worden geadviseerd.
Uit oogpunt van kosten wordt de voorkeur gegeven aan een compacte/standaard scootermobiel met een snelheid van 8 km per uur en een actieradius van 20 tot 25 km. Een wens voor een scootermobiel met een hogere snelheid en/of een grotere actieradius wordt niet ingewilligd indien een compacte scootermobiel passend is voor de cliënt. Een scootermobiel is immers bedoeld voor de nabije woon- en leefomgeving. Voor verder weg gelegen bestemmingen kan gebruik gemaakt worden van de Regiotaxi Waterweg, eventueel in combinatie met de scootermobiel.
De scootermobiel wordt verstrekt inclusief onderhoud en WA-verzekering.
Een verstrekte scootermobiel wordt ingenomen indien:
een cliënt niet meer voldoende rijvaardig is en rijlessen onvoldoende resultaat heeft opgeleverd;
er na een schriftelijke waarschuwing wederom sprake is van oneigenlijk, onzorgvuldig of onjuist gebruik van de voorziening;
cliënt niet meer beschikt over een geschikte stallingsmogelijkheid.
Beleidsregel 2.7.7 autoaanpassing:
Een cliënt kan voor een autoaanpassing in aanmerking komen indien hij niet in staat is om het collectief vervoer te gebruiken, het gebruik van de auto voor hem noodzakelijk is vanwege beperkingen bij participatie en een autoaanpassing de goedkoopst adequate oplossing is.
Wet- en regelgeving: Wmo artikel 1.1.1 en Verordening artikel 7
Uitzondering:
de cliënt is jonger dan 12 of er is sprake van huisgenoten die jonger zijn dan 12 jaar en de leefeenheid bestaat uit 3 of meer personen.
Criterium:
de auto is niet ouder dan 5 jaar.
Een autoaanpassing wordt slechts eenmaal in de 7 jaar verstrekt.
Beleidsregel 2.7.8 leaseauto/gesloten buitenwagen:
Wanneer het collectief vervoer, een (rolstoel)taxi en/of andere vervoers‑/verplaatsingsvoorzieningen (aangepaste fiets, scootermobiel, elektrische rolstoel) niet bruikbaar zijn voor een cliënt en de cliënt beschikt niet over een (aan te passen) auto, kan een leaseauto of een gesloten buitenwagen worden verstrekt.
Wet- en regelgeving: Verordening artikel 7
Een leaseauto of een gesloten buitenwagen, zoals een arola of canta, wordt alleen verstrekt indien de cliënt voor alle verplaatsingen op individueel eigen vervoer is aangewezen.
Een auto wordt verstrekt ten behoeve van de cliënt. Het is niet de bedoeling dat een huisgenoot, bijvoorbeeld een partner of een ouder van de cliënt, gebruik maakt van deze auto, zonder de aanwezigheid van de cliënt. Vanzelfsprekend mogen huisgenoten wel meereizen met de cliënt.
De cliënt is zelf verantwoordelijk voor het behalen van een noodzakelijk brommer-/(aangepast) autorijbewijs.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.7