De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk
wordt geweigerd indien:
a. de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning
voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen;
b. de voorziening betrekking heeft op een hoger niveau dan het
uitrustingsniveau van voorzieningen in de sociale woningbouw;
c. de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is
van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het
normale gebruik van de woning ten gevolg van ziekte of gebrek,
inclusief een chronisch psychisch en/of psychosociaal probleem, geen
aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was;
d. de persoon met beperkingen niet is verhuisd naar de voor zijn of
haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning,
tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door
het college, waarbij de persoon met beperkingen de
verantwoordelijkheid heeft zich tijdig hierover te informeren;
e. de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat de
gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze voorziening
noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een onverwacht
optredende noodzaak;
f. de persoon met beperkingen verhuisd is vanuit of naar een
woonruimte die niet geschikt is om het gehele jaar door bewoond te
worden, verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere
instelling gericht op het verstrekken van zorg, of er in de verlaten
woonruimte geen problemen met het normale gebruik van de woning zijn
ondervonden;
g. er geen rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen de
ondervonden beperkingen en een of meer bouwkundige of woontechnische
kenmerken van de door persoon met beperkingen bewoonde woning;
h. de beperkingen niet in de woning zelf (waartoe ook de
toegankelijkheid van de woning moet worden begrepen) worden
ondervonden.
Afdeling 1 › Hoofdstuk 4
Artikel 4.9
Weigeringsgronden
Onderdeel van Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Kerkrade 2009