Naar hoofdinhoud

Artikel 1

Definities

Onderdeel van Verordening havengelden Krimpenerwaard 2020

In deze verordening wordt verstaan onder: aanlegplaats: wateroppervlak dat bestemd is voor het tijdelijk afmeren van een vaartuig met de daarbij behorende voorzieningen die het afmeren mogelijk maken; dagdeel: een periode van maximaal 6 uur; dag: een periode langer dan 6 uur met een maximum van 24 uur; haven: het voor de openbare dienst bestemde, uit land en water bestaande gemeentelijk gebied (zoals aangegeven op de in de bijlagen behorende bij deze verordening opgenomen kaarten), met werken en voorzieningen ten behoeve van het vervoer over water, het meren van vaartuigen of het laden, lossen of opslaan van goederen; havenmeester: degene die als zodanig door het college is aangewezen, alsmede diens vervanger; lengte: de grootste lengte van de romp gemeten van de voorkant tot de achterkant van het achterste deel van het vaartuig; meren: het vastmaken van vaartuigen aan de daartoe bestemde middelen, onverschillig of die middelen eigendom van de gemeente of derden zijn, of aan vaartuigen welke aan zodanige middelen zijn vast gemaakt; oppervlakte: het product van de grootste lengte en breedte, zoals deze blijken uit de bij het vaartuig behorende geldige meetbrief of ambtshalve wordt vastgesteld als geen meetbrief wordt overgelegd of als deze niet de vereiste gegevens vermeldt; pleziervaartuig: een vaartuig dat is bestemd of wordt gebruikt voor sportbeoefening of vrijetijdsbesteding; reservering: het vrijhouden van een aanlegplaats voor een aaneengesloten periode; SAB-ecokaart: een speciale betaalkaart voorzien van een chip waarvan het havengeld wordt afgeschreven. De kaart zelf heeft geen waarde, maar is gekoppeld aan een ecorekening; SAB-kast: kast om met de SAB-ecokaart de ingebruikname van een ligplaats aan- en af te melden; schipper: de gezagvoerder van een vaartuig of degene die deze vervangt; vaartuig: elk drijvend lichaam dat wegens zijn drijfvermogen wordt gebruikt danwel bestemd of geschikt is voor het vervoer te water van personen en/of goederen en/of voor het dragen of vervoeren van al dan niet met het drijvende lichaam één geheel uitmakende voorwerpen, zoals een werkvlot, ponton, elevator, drijvende kraan, sleep- of duwboot, bok, zandzuiger en baggermolen, alsmede balken, stammen, palen en vlotten die in het water worden vervoerd; vaste ligplaats: wateroppervlak bestemd om gedurende langere tijd een zelfde pleziervaartuig te kunnen laten afmeren of ten anker te leggen; verplaatsing: de in volumen uitgedrukte waterverplaatsing van een vaartuig tussen het vlak van de grootste toegelaten diepgang en het vlak van inzinking van het ledige vaartuig, volgens een geldige meetbrief; week: meer dan 4 opeenvolgende dagen tot een maximum van 7 opeenvolgende dagen.

Rechtspraak bij dit artikel