Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 10.

De hoogte en duur van de maatregel

Onderdeel van Maatregelenverordening IOAW en IOAZ

1.. Onverminderd artikel 2, derde lid, wordt de maatregel vastgesteld op: tien procent van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie; twintig procent van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie; vijftig procent van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de derde categorie. 2.. In afwijking van het eerste lid, onder c, legt het college, indien belanghebbende een uitkering ontvangt op grond van de IOAW en de belemmerende gedragingen, bedoeld in artikel 10, derde lid, onder a, dusdanige vormen aannemen dat gesproken moet worden van het door eigen toedoen niet verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, voor onbepaalde duur een maatregel op ter hoogte van het door eigen toedoen niet verkregen netto inkomen uit deze arbeid. 3.. Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het tweede lid binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden bedraagt. 4.. De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel