Om te bepalen of en welke vorm van Dagbesteding voor de bewoner toegankelijk en passend is, worden, naast het Algemene toetsings- en afwegingskader, de volgende aspecten getoetst en/of gewogen:
1. aard van de beperking: Er is sprake van een fysieke, zintuiglijke, verstandelijke beperking of chronische fysieke, psychische of sociale problemen, waardoor de bewoner niet (geheel) in staat is om zelfstandig of met behulp van de eigen leefomgeving invulling te geven aan de dag. De bewoner kan vanwege zijn beperkingen (nog of tijdelijk) niet of niet meer (vrijwilligers)werk verrichten of gebruik maken van onderwijs.
2. benodigde ondersteuning: Dagbesteding biedt ondersteuning bij:
a. Het voorkomen van achteruitgang en het bevorderen van het behoud van (praktische) vaardigheden.
b. Het kunnen omgaan met de beperkingen.
c. Het bieden van structuur.
d. Activering tot zelfstandige of (zo mogelijk) arbeidsmatige participatie: beschut, begeleid of ondersteund werk, betaald werk, vrijwilligerswerk of deelname aan buurt- en wijkinitiatieven.
e. Het voorkomen van achteruitgang van sociale en maatschappelijke participatie.
3. andere voorzieningen: beschikbare en voor de bewoner passende mogelijkheden voor invulling van de dag door deelname aan buurt- of dorpsactiviteiten en/of (sport)activiteiten via verenigingen, het doen van vrijwilligerswerk en activiteiten op het gebied van werk en participatie. Een geleidelijke doorgroei vanuit Dagbesteding vanuit de Wmo naar activiteiten op het gebied van (vrijwilligers)werk en participatie is mogelijk.
4. doel van de ondersteuning: Om te bepalen welke vorm van dagbesteding nodig is, wordt gekeken naar het doel van de ondersteuning:
a. Ondersteuning waarbij de nadruk ligt op het stabiliseren/behouden van zelfredzaamheid en participatie:
Behouden van vaardigheden en meedoen naar vermogen, waarbij de nadruk ligt op het stabiliseren en behouden van vaardigheden ten aanzien van de zelfredzaamheid en participatie.
b. Ondersteuning waarbij de nadruk ligt op het bevorderen/verbeteren/ontwikkelen van de zelfredzaamheid en participatie:
Meedoen naar vermogen en activering naar werk, maar ook het verbeteren, aanleren en ontwikkelen van vaardigheden met als doel verbetering van de zelfredzaamheid en participatie.
5. zwaarte van de ondersteuning: Om te bepalen welke vorm van dagbesteding nodig is, wordt gekeken naar de benodigde zwaarte van de ondersteuning (licht, middel, zwaar).
De zwaarte van de ondersteuning wordt bepaald op basis van de behoefte aan structuur, de noodzaak tot nabijheid van begeleiding, het risico op de noodzaak tot direct handelen en de benodigde deskundigheid (zie Toelichting).
TOELICHTING
De zwaarte van de ondersteuning (licht, middel, zwaar) wordt bepaald op basis van de behoefte aan structuur, de noodzaak tot nabijheid van begeleiding, het risico op de noodzaak tot direct handelen en de benodigde deskundigheid. Zie onderstaand overzicht.
Voor beide doelen (zie lid 4, sub a en b) zijn alle drie varianten (licht, middel en zwaar) van ondersteuning beschikbaar.
Licht
Middel
Zwaar
Behoefte aan structuur
Dagbesteding met gemiddelde structuur met vrije daginvulling.
Duidelijk gestructureerde dagbesteding met voorspelbare daginvulling.
Strak gestructureerde dagbesteding met vooraf vastgestelde daginvulling.
Nabijheid begeleiding
Begeleiding aanwezig, maar groepsgericht.
Begeleiding is aanwezig, groeps-en individugericht.
Continu toezicht met individuele begeleiding.
Noodzaak tot direct handelen
Geen noodzaak tot direct handelen/ingrijpen (fysiek/gedrag).
Incidenteel noodzaak tot direct handelen/ingrijpen (fysiek/gedrag).
Regelmatig noodzaak tot direct handelen/ingrijpen (fysiek/gedrag).
Deskundigheid
Algemene deskundigheid.
Algemene deskundigheid met aanvullende kennis.
Specifieke deskundigheid.
Doelgroep
Mix van doelgroepen zo veel als mogelijk.
Beperkte mix van doelgroepen waar kan.
Geen noodzaak voor mix van doelgroepen.
Wijk- en buurtinitiatieven
Intensieve samenwerking.
Samenwerking waar mogelijk.
Beperkte samenwerking waar mogelijk.