Het dagelijks bestuur is in ieder geval bevoegd tot:
het nemen van conservatoire maatregelen;
het voeren van rechtsgedingen en het instellen van beroep;
benoeming, schorsing en ontslag van de directeur en het personeel van BSR;
het regelen van de rechtspositie en de arbeidsvoorwaarden van de directeur en het personeel van BSR met inachtneming van het bepaalde in artikel 29, lid 2, van deze gemeenschappelijke regeling;
uitoefening van de bevoegdheden en de verplichtingen die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Waterwet, de Wet milieubeheer en de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) zijn toegekend aan de Minister van Financiën, het bestuur van ’s-Rijkbelastingdienst en de directeur respectievelijk het dagelijks bestuur of het college van burgemeester en wethouders van de deelnemers;
de aanwijzing van een of meer ambtenaren van BSR als heffingsambtenaar en als invorderingsambtenaar;
de aanwijzing van een of meer ambtenaren van BSR of een gerechtsdeurwaarder als belastingdeurwaarder;
het aanwijzen van een of meer ambtenaren van BSR als ambtenaar van BSR als bedoeld in artikel 1, sub j, van deze gemeenschappelijke regeling;
het vaststellen van instructies en beleidsregels voor de heffingsambtenaar, de invorderingsambtenaar, de ambtenaar van BSR en de belastingdeurwaarder voor de uitoefening van hun bevoegdheden;
het stellen van beleidsregels en nadere regels met betrekking tot de heffing en de invordering van de belastingen;
het geheel of gedeeltelijk oninbaar verklaren van de belastingen;
het besluiten tot het aanbesteden van leveringen en diensten;
het besluiten tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van BSR, waaronder mede begrepen het sluiten van dienstverleningsovereenkomsten;
het doen van aangifte van strafbare feiten, waarvan BSR kennis heeft genomen.
Hoofdstuk 5:
Artikel 18