De raad stelt bij verordening de uitgangspunten voor het financiële beleid, alsmede voor het financiële beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie vast. Deze verordening waarborgt dat aan de eisen van rechtmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan.
De verordening bevat in ieder geval:
regels voor waardering en afschrijving van activa;
grondslagen voor de berekening van de door het gemeentebestuur in rekening te brengen prijzen en van tarieven voor rechten als bedoeld in artikel 229b, alsmede, voor zover deze wordt geheven, voor de heffing bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer;
regels inzake de algemene doelstellingen en de te hanteren richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie, alsmede inzake de administratieve organisatie van de financieringsfunctie, daaronder begrepen taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening.
De structuurkenmerken van de verordening kunnen als volgt worden samengevat:
De verordening regelt de relatie tussen raad en college, niet de relatie tussen college en ambtelijke organisatie;
De verordening sluit aan bij de opzet van het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten;
De verordening werkt de duale taakverdeling tussen raad en college uit;
De verordening bevat belangrijke elementen van planning en control zowel voor de raad als voor het college.
Van belang is te onderkennen dat de relatie tussen de raad en het college ingericht wordt op hoofdlijnen. De verordening geeft hiervoor het raamwerk. Op enkele cruciale onderdelen van het financieel beleid wordt het college verplicht met nota’s te komen, die de raad vaststelt. Op de meeste aspecten echter strekt de verordening niet verder dan het college te verplichten zaken goed te regelen en vast te leggen. Dit past goed bij de verhouding tussen raad en college, omdat de verantwoordelijkheden en bevoegdheden op die aspecten aan het college toebehoren.
Aan de begroting en verantwoording worden ook eisen gesteld middels het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV). De eisen die daarin gesteld worden betreffen vooral inrichtingseisen van de begroting en de jaarstukken. De inhoud van deze verordening sluit daarop aan, waarmee de verordening en het BBV in elkaars verlengde dienen te worden gezien. De voorschriften uit het BBV zijn (vanzelfsprekend) niet nogmaals verwoord in deze verordening.
Dit laatste geldt ook voor de eisen die worden gesteld vanuit de wet Fido (Financiering decentrale overheden).
Ten behoeve van de eerste invoering in 2003 hebben de VNG en het ministerie van BZK een modelverordening vervaardigd. Deze handreiking hebben zij inmiddels bijgesteld. Dit vanuit hun onderzoek naar de praktijk waaruit bleek dat de modelverordening erg uitgebreid was, waarmee gemeenten meer verplichtingen in huis haalden dan nodig, met onnodige administratieve lasten en rechtmatigheidsproblemen als gevolg.
Evenals de werkwijze in 2003 is de modelverordening als handreiking benut; delen zijn overgenomen, maar de inhoud is toegespitst op de Amstelveense situatie. Dat houdt ondermeer in dat rekening is gehouden met de organisatieverordening, het bedrijfsvoeringsconcept en het bestaand bestuurlijk instrumentarium. Daarbij wordt aangetekend dat de modelverordening naar onze beleving een sterk beheerstechnisch karakter heeft. De nadruk ligt op inrichtingseisen van onderdelen van de begrotings- en verantwoordingscyclus, de administratie en de financiële organisatie. Het lijkt erop dat de modelverordening sterk is gevoed vanuit het hedendaags rechtmatigheidsdenken, en te veel voorbij gaat aan de mogelijkheid middels deze verordening de raad meerjarige kaderstellende instrumenten in handen te geven.
Voor de uitwerking van de verordening voor Amstelveen is er voor gekozen vooral ook de belangrijke sturingsinstrumenten, zoals het financieel meerjarenperspectief en de kadernota, en de samenhang tussen die sturingsinstrumenten en het beleid ten aanzien van reserves, activa en tarieven een plaats te geven. Naar onze mening ontstaat daarmee een beter evenwicht tussen de kaderstellende en de controlerende rol van de raad, zonder daarbij voorbij te gaan aan de te stellen eisen van rechtmatigheid, verantwoording en controle.
Hieronder volgt de artikelgewijze toelichting op de verordening. De verordening zelf is verwoord in een raadsbesluit. Ter informatie is de oude verordening bijgevoegd met daarin de doorgevoerde wijzigingen, zodat vergelijking mogelijk wordt.
Hoofdstuk
Artikel 212