Naar hoofdinhoud
1.. Een deelnemende gemeente kan uittreden door toezending aan het algemeen bestuur van de daartoe strekkende besluiten van de betreffende bestuursorganen. 2.. Het dagelijks bestuur zendt het besluit tot uittreding van een gemeente aan de raden van de overige deelnemende gemeenten. 3.. Tenzij het algemeen bestuur een kortere termijn bepaalt, vindt de uittreding niet eerder plaats dan op 31 december van het tweede kalenderjaar volgend op het jaar waarin het algemeen bestuur van het besluit tot uittreden in kennis is gesteld. 4.. De financiële schade die door de uittreding aan de dienst is toegebracht, wordt, inclusief de hierdoor ontstane wachtgeldverplichtingen, aan de uittredende gemeente in rekening gebracht. 5.. De dienst en de uittredende gemeente vragen gezamenlijk advies aan een onafhankelijke externe deskundige voor de vaststelling van de financiële schade als bedoeld in het vierde lid. Het advies van deze deskundige is voor partijen bindend, onverminderd het bepaalde in artikel 28 van de wet. De kosten voor het inschakelen van de deskundige zijn voor rekening van de uittredende gemeente. 6.. Van elk besluit tot uittreding van een gemeente wordt kennis gegeven aan gedeputeerde staten en aan het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.

Rechtspraak bij dit artikel