**1..** Een deelnemer kan uit de regeling treden door toezending van de daartoe strekkende besluiten van de bestuursorganen aan het algemeen bestuur en aan de overige deelnemers.
**2..** Tenzij het algemeen bestuur een kortere termijn bepaalt, vindt de uittreding niet eerder plaats dan op 31 december van het tweede kalenderjaar volgend op het jaar waarin het algemeen bestuur van het besluit tot uittreden in kennis is gesteld.
**3..** Het dagelijks bestuur inventariseert de gevolgen van de uittreding die het directe gevolg zijn van de uittreding en de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan. De financiële gevolgen van de uittreding worden – inclusief de hierdoor ontstane personele verplichtingen – aan de uittredende deelnemer in rekening gebracht.
**4..** De financiële gevolgen bestaan uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten. De frictiekosten en desintegratiekosten worden berekend op basis van de principes van goed koopmanschap en de principes van accounting.
**5..** Onder frictiekosten worden verstaan alle incidentele kosten te maken door het openbaar lichaam die het directe gevolg zijn van de beslissing tot uittreding van een deelnemer.
**6..** Onder desintegratiekosten worden verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig te maken dan wel te dragen door het openbaar lichaam die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding.
** 7. .** Bij het vaststellen van de hoogte van de desintegratiekosten wordt gekeken naar een periode van 5 jaar of zoveel korter als financieel verantwoord voor het openbaar lichaam.
** 8. .** Het eventueel aanwezige vermogen gaat op basis van de verdeelsleutel zoals gold in het jaar waarin tot uittreding werd besloten naar de uittredende deelnemer, tenzij de deelnemende gemeenten tot een andere verdeling komen.
** 9. .** De financiële adviseurs van de dienst en de uittredende deelnemer adviseren in gezamenlijkheid over de vaststelling van de financiële gevolgen als bedoeld in het vierde tot en met achtste lid. Als dit niet tot een gedragen advies en vaststelling leidt vragen de dienst en de uittredende deelnemer gezamenlijk advies aan een onafhankelijke externe deskundige voor de vaststelling van genoemde financiële gevolgen. Het advies van deze deskundige is voor partijen bindend, onverminderd het bepaalde in artikel 28 van de wet. De kosten voor het inschakelen van de deskundige zijn voor rekening van de uittredende deelnemer.
HOOFDSTUK 11
Artikel 39
Uittreding
Onderdeel van Gemeenschappelijke regeling Werk en Inkomen Lekstroom