Naar hoofdinhoud
1.. Bij een inkomen tot 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm wordt geen draagkracht aanwezig geacht. 2.. De van toepassing zijnde bijstandsnorm wordt berekend met toepassing van het kostendelersprincipe (art. 22a Participatiewet). 3.. Voor het bepalen van de hoogte van de bijstand wordt de draagkracht in mindering gebracht op de voor bijzondere bijstand in aanmerking komende kosten. 4.. In afwijking van het bepaalde onder lid 1 wordt het volledige inkomen voor zover het meer bedraagt dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm in mindering gebracht bij kostensoorten die gerekend moeten worden tot de algemene bestaanskosten maar waarvoor onder bepaalde voorwaarden (individuele) bijzondere bijstand verstrekt kan worden, te weten woonkostentoeslag, duurzame gebruiksgoederen en kosten voor woninginrichting. 5.. De vastgestelde draagkracht wordt in geval van incidentele bijzondere noodzakelijke kosten in één keer in mindering gebracht op de in aanmerking komende kosten. 6.. In geval van periodieke bijzondere noodzakelijke kosten wordt de draagkracht gespreid over de maanden waarover de bijzondere bijstand wordt toegekend met een maximum van 12 maanden en naar evenredigheid in mindering gebracht op de in aanmerking komende kosten. 7.. Bij samenloop van incidentele en periodieke bijzondere noodzakelijke kosten wordt de draagkracht bij voorrang verrekend met de incidentele kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt toegekend.

Rechtspraak bij dit artikel