Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Maatstaf van heffing

Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2020

1.. Voor een perceel of een gedeelte van een perceel, uitsluitend bestemd als woning, wordt de heffing als bedoeld in artikel 2, eerste lid, geheven naar een vast bedrag per perceel. 2.. Voor een perceel of een gedeelte van een perceel, niet of niet uitsluitend bestemd als woning, wordt de heffing als bedoeld in artikel 2, eerste lid, geheven naar het aantal kubieke meters afvalwater dat vanuit het perceel wordt afgevoerd. 3.. Het aantal kubieke meters afvalwater wordt gesteld op het aantal kubieke meters water dat in de laatste aan het begin van het belastingtijdvak voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel is toegevoerd of is opgepompt. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle maand gerekend. 4.. Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een: watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen. De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling. 5.. De op de voet van het derde lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet als afvalwater is afgevoerd. 6.. Voor zover de gegevens als bedoeld in het tweede lid van dit artikel niet bekend zijn, wordt het waterverbruik door de in artikel 232, vierde lid, onderdeel a, van de Gemeentewet bedoelde ambtenaar vastgesteld op basis van het waterverbruik in vergelijkbare situaties.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel