Naar hoofdinhoud
1.. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, moet overeenkomstig de aangifte worden betaald bij de aanvang van het parkeren. 2.. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid moet de belasting overeenkomstig de aangifte worden betaald binnen een maand na het einde van het parkeren, indien het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via een telefoon of een met het internet verbonden apparaat inloggen op de centrale computer. 3.. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid moet bij aanschaf van dagkaarten anders dan bij parkeerapparatuurplaatsen de belasting worden betaald op het moment van het doen van de kennisgeving. 4.. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, moet worden betaald op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend. 5.. In afwijking van het vorige lid moet, zolang de verschuldigde bedragen genoemd in hoofdstuk 2 van de tarieventabel behorende bij en deel uitmakende van deze verordening door middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingplichtige kunnen worden afgeschreven, de belasting betaald worden binnen een termijn van 30 dagen voor aanvang van de vergunningsperiode. 6.. Een naheffingsaanslag moet onmiddellijk worden betaald.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel