Naar hoofdinhoud
1. . De raad benoemt de voorzitter en de overige leden van de rekenkamer op voorstel van het presidium. 2. . De benoeming voor een periode van zes jaar, waarna de mogelijkheid bestaat tot een eenmalige herbenoeming voor eenzelfde periode. 3. . Bij de samenstelling van de rekenkamer ziet de raad toe op een evenwichtige spreiding van competenties die voor het goed functioneren van de rekenkamer van belang zijn. Voor dat doel stelt de raad, op voorstel van het presidium, een profielschets op voor iedere vacature van lid van de rekenkamer. 4. . Het presidium voegt bij het voorstel een verklaring van elke kandidaat met: de mededeling dat hij een benoeming als lid zal aanvaarden; een overzicht van de openbare functies en nevenfuncties die hij bekleedt. 5. . Bij de start van het proces tot werving en benoeming van de voorzitter en de overige leden van de rekenkamer pleegt het presidium overleg met de rekenkamer. 6. . De rekenkamer wijst uit zijn midden een plaatsvervangend voorzitter aan die bij ontstentenis van de voorzitter diens taken overneemt. 7. . De rekenkamer is verantwoordelijk voor de continuïteit van de werkzaamheden van de rekenkamer. 8. . Als de voorzitter door de raad wordt ontslagen of op non-actief wordt gesteld, kan de raad voor de tijdelijke vervanging in de functie van de voorzitter een van het zesde lid van dit artikel afwijkende regeling treffen.

Rechtspraak bij dit artikel