Naar hoofdinhoud
Een goede termijnbewaking is bij invordering essentieel. Vanaf het moment dat een vordering opeisbaar is, gaat ook de verjaringstermijn lopen (BW, boek 3, art. 310, lid 1, vermogensrecht). De gemeente dient in de gaten te houden dat deze termijn niet verstrijkt, want dan ‘verjaart’ de vordering. Om aan een lopende verjaring een einde te maken, dient de vordering te worden ‘gestuit’. Dit dient te gebeuren vóór de verjaringstermijn. Hierdoor blijft een vordering opeisbaar. De dag na stuiting begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen. Een verjaring kan worden gestuit door het versturen van een aanmaning, een beschikking tot verrekening, een dwangbevel, een daad van rechtsvolging of een daad van tenuitvoerlegging van een dwangbevel. Verjaring wordt ook gestuit door erkenning door de schuldenaar (bijv. een betalingsregeling). Hieronder staan de verjaringstermijnen van verschillende vorderingen: Vordering Verjaringstermijn Standaard 20 jaar Tot nakoming van een overeenkomst 5 jaar Tot periodieke betaling 5 jaar Tot onverschuldigde betaling 5 jaar Tot betaling van schade of overeengekomen boete 5 jaar Last onder dwangsom 1 jaar Last onder bestuursdwang 5 jaar Bestuurlijke boete 5 jaar Vanuit consumentenkoop 2 jaar

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel