Het opstellen van handhavingsbeleid is een wettelijke verplichting die volgt uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het daaronder hangende Besluit omgevingsrecht (Bor). In deze wet en het besluit wordt de verplichting aan het college van burgemeester en wethouders opgelegd om een handhavingsbeleid vast te stellen (hoofdstuk 7 Bor).
Hoewel bestuursorganen in beginsel bevoegd, maar niet verplicht zijn om handhavend op te treden tegen geconstateerde overtredingen, is deze beleidsvrijheid in de jurisprudentie aanzienlijk genuanceerd en ingeperkt door de ontwikkeling van de zogenoemde ‘beginselplicht tot handhaving’. Uitgangspunt is dat het bevoegde orgaan in de regel moet optreden bij constatering van een overtreding. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het afzien van handhaving, bijvoorbeeld indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. In het geval van een handhavingsverzoek wordt deze plicht letterlijk afgedwongen, nu een handhavingsverzoek een formele aanvraag is als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht en waarop in de regel een besluit volgt.
In relatie tot handhavingsbeleid volgt uit vaste jurisprudentie dat als het bestuursorgaan een ‘redelijk te achten beleid voert, bijvoorbeeld inhoudende dat het bestuursorgaan de overtreder in bepaalde gevallen eerst waarschuwt en gelegenheid biedt tot herstel voordat het een handhavingsbesluit voorbereidt, het zich in beginsel aan dit beleid dient te houden’. In de praktijk betekent dit dat het bevoegde bestuursorgaan na constatering niet meteen handhavend hoeft op te treden, maar dat eerst het ‘stappenplan’ wordt gevolgd zoals dat in het beleid is vastgelegd. Dit laat onverlet dat tegen spoedeisende gevallen (al dan niet preventief) wel direct opgetreden dient te worden.
Regelgeving die strafrechtelijk wordt gehandhaafd (bijvoorbeeld door middel van de bestuurlijke strafbeschikking), vallen buiten beginselplicht tot handhaving. Dit betreffen met name APV-feiten en verkeersovertredingen.
Hoofdstuk 2.
Artikel 2.2