**1..** Indien de het bezwaarschrift aan de commissie wordt voorgelegd worden de bevoegdheden ingevolge de hierna genoemde artikelen van de wet voor de toepassing van deze verordening uitgeoefend door de voorzitter van de commissie:
artikel 2:1, tweede lid (opvragen machtiging);
artikel 6:6, wat betreft het de indiener stellen van een termijn;
artikel 6:17, voor zover het de verzending van stukken betreft tijdens de behandeling door de commissie;
artikel 7:4, tweede lid;
artikel 7:6, vierde lid.
**2..** Bezwaarschriften die niet aan de commissie worden voorgelegd worden de bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid uitgeoefend door het heroverwegend orgaan.
**3..** Het heroverwegend orgaan beslist over de toepassing van artikel 7:3 van de wet.
**4..** Wanneer het heroverwegend orgaan besluit om af te zien van het horen op grond van artikel 7:3 van de wet, wordt:
het bezwaarschrift ter advisering aan de commissie voorgelegd, voor zover:
de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord dan wel niet binnen een door het heroverwegend orgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord; èn
het bezwaarschrift niet tot de categorie bezwaarschriften behoort waarbij ambtelijk kan worden gehoord;
het bezwaarschrift ambtelijk afgehandeld indien:
het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk is; of
het bezwaarschrift kennelijk ongegrond is; of
aan het bezwaarschrift volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen worden geschaad; of
de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord dan wel niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord èn het bezwaarschrift tot de categorie bezwaarschriften behoort waarbij ambtelijk kan worden gehoord.
Artikel 5.