Het recht bedoeld in artikel 8 bedraagt per jaar:
a.
voor los- en laadbruggen
€
16,55
per strekkende meter kademuur, met als minimum
€
81,25
b.
voor elke hijskraan met bijbehorende werken
€
424,55
c.
voor vergaarputten op bakken per stuk
€
20,70
en voor daarbij behorende buisleidingen
€
8,30
per strekkende meter, met een minimum voor de
putten of bakken en buisleidingen tezamen van
€
81,25
d.
voor andere toestellen, werken of inrichtingen:
indien de kaden of de gemeentelijke aanlegplaatsen
tot geen grotere diepte dan 9 meter in gebruik
worden genomen
€
16,55
per vierkante meter met een minimum van
€
81,25
en
€
143,85
per strekkende meter kademuur met een minimum van
€
736,40
bij ingebruikname van een grotere diepte dan 9 meter;
e.
voor vaartuigen, waarop inrichtingen ten behoeve
van het laden en lossen van andere vaartuigen zijn
zijn aangebracht per vaartuig
€
249,60
Voor verplaatsbare toestellen is het in dit artikel bepaalde recht voor elk toestel slechts eenmaal per jaar verschuldigd.
Bij de berekening van het verschuldigde bedrag worden gedeelten van een m², respectievelijk van een strekkende meter voor een hele m² respectievelijk hele strekkende meter gehouden.
Hoofdstuk
Artikel 9.
Tarieven
Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van scheepvaartrechten 2020