Naar hoofdinhoud
1.. De aanvrager dient uiterlijk 1 april na afloop van het jaar waarin subsidie is ontvangen een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in. Deze aanvraag tot vaststelling bevat: een overzicht van het aantal bezette peuterplaatsen, waarbij gespecificeerd wordt: het aantal peuters met een vve-indicatie van wie de ouders geen recht hebben op kinderopvangtoeslag; het aantal peuters met een vve-indicatie van wie de ouders wel recht hebben op kinderopvangtoeslag; het aantal peuters zonder vve-indicatie van wie de ouders geen recht hebben op kinderopvangtoeslag; het aantal peuters zonder vve-indicatie van wie de ouders wel recht hebben op kinderopvangtoeslag; een financieel verslag waarin een toelichting op significante afwijkingen ten opzichte van het aanvraagformulier is opgenomen. 2.. Het college toetst aan de hand van de verantwoording als bedoeld in dit artikel of de aanvrager heeft voldaan aan de verplichtingen uit deze regeling. Het college beslist binnen drie maanden na ontvangst van de verantwoording over de vaststelling van de subsidie. De subsidie wordt vastgesteld op de daadwerkelijk bestede uren per peuter aan de hand van het afgesproken uurtarief en onderverdeling naar de verschillende categorieën. 3.. Als de subsidieontvanger onderdeel is van een rechtspersoon, dan kan het college bij de aanvraag tot subsidievaststelling tevens de jaarrekeningen van alle gelieerde groepsmaatschappijen, voorzien van een accountantsverklaring overeenkomstig artikel 393 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, opvragen.

Rechtspraak bij dit artikel