Naar hoofdinhoud

Artikel 2:80

Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Hellendoorn 2020

In dit artikel wordt verstaan onder bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, of daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning, die als zodanig in gebruik is. De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit of door de leidinggevende(n) zoals bedoeld in artikel 2:27, derde lid onder druk staat. Het aanwijzingsbesluit bepaalt de duur van de periode dat de aanwijzing geldt. Deze duur bedraagt maximaal vijf jaar en kan – indien dat met het oog op de bovengenoemde belangen naar het oordeel van de burgemeester nodig is – eenmalig worden verlengd met nogmaals een termijn van maximaal vijf jaar. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen: in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied; in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester genoemde bedrijfsmatige activiteiten; of in door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteiten. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; indien een leidinggevende zoals bedoeld in artikel 2:27, derde lid: in enig opzicht van slecht levensgedrag is; onder curatele staat; de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt; geen Verklaring Omtrent het Gedrag overlegt die uiterlijk 3 maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven; indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag in overeenstemming zal zijn; indien niet voldaan is aan de bij of krachtens de in dit artikel gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag; indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldende beheersverordening of een geldende omgevingsvergunning in de zin van artikel 2.1, eerste lid onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; indien een leidinggevende van het bedrijf zoals bedoeld in artikel 2:27, derde lid binnen 3 jaar vóór de indiening van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken. De vergunning wordt aangevraagd door de leidinggevende zoals bedoeld in artikel 2:27, derde lid, onder a. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een daarvoor bestemd formulier. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd: de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de leidinggevende(n) zoals bedoeld in artikel 2:27, derde lid; het adres en telefoonnummer van de locatie waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; een uittreksel Handelsregister van de Kamer van Koophandel (niet ouder dan 3 maanden); een ingevuld vragenformulier Bibob en de daarbij behorende bijlagen; een kopie van het bewijs van inschrijving bij de Belastingdienst; een Verklaring Omtrent het Gedrag van de leidinggevende(n) (niet ouder dan 3 maanden); kopie(ën) van (een) geldige arbeidsovereenkomst(en) van de leidinggevende(n) die vermeld word(t)(en) in de vergunning; een afschrift van de huur-, pacht- of koopovereenkomst van de locatie waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; een bedrijfsplan over de werkzaamheden, de te verkopen producten, de exploitatievorm, de gewenste sluitingstijden en de doelgroep(en); een tekening van schaal 1:100 van de inrichting met de maten in meters, vloeroppervlakte in m², indeling en functies van de ruimten en de situering en oppervlakte van het terras. De burgemeester is bevoegd ook andere dan de in het vijfde lid genoemde gegevens te verlangen indien die voor het nemen van een beslissing op de aanvraag noodzakelijk zijn. De leidinggevende zoals bedoeld in artikel 2:27, derde lid, onder a is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor dit niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen één maand, aan de burgemeester te melden en een wijziging van zijn vergunning aan te vragen. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning als het bedrijf aan de vereisten voldoet. Indien niet binnen een maand na de verandering van omstandigheden een aanvraag wordt ingediend, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken. Een bestaande vergunning vervalt, zodra de vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, in werking treedt. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen: in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; indien het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; indien de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is; indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldende beheersverordening of een geldende omgevingsvergunning in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; indien de bedrijfsmatige activiteiten door de leidinggevende zijn beëindigd. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde leidinggevende in het bedrijf aanwezig is. Een vergunning kan op grond van artikel 7 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur door de burgemeester worden geweigerd dan wel ingetrokken, indien er sprake is van het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de voornoemde wet. Voordat daaraan toepassing wordt gegeven, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van voornoemde wet, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd. De burgemeester kan de sluiting van een gebouw of gedeelte van een gebouw bevelen indien het daarin gevestigde bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid wordt geëxploiteerd of indien één van de situaties als bedoeld in het achtste lid van toepassing is. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het elfde lid gesloten bedrijf of gebouw te betreden of daarin te verblijven. Het aanwijzingsbesluit geldt voor het aangewezen gebouw, het aangewezen gebied en de aangewezen bedrijfsmatige activiteiten direct na de inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit. Voor bedrijven die vóór de inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit in het aangewezen gebouw of gebied gevestigd waren en/of zich bezig hielden met de aangewezen bedrijfsmatige activiteiten, dient in het aanwijzingsbesluit een redelijke overgangstermijn geboden te worden. Na het verstrijken van de overgangstermijn wordt het verbod uit het derde lid van toepassing. De overgangstermijn bedraagt minimaal 6 maanden en maximaal 1 jaar.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel