Het college gaat als volgt om met aflossing van bijstand in de vorm van een geldlening:
Belanghebbende heeft een inkomen op bijstandsniveau. Belanghebbende wordt in beginsel geacht vijf procent van de voor hem geldende bijstandsnorm ingevolge de Participatiewet aan te wenden voor de aflossing van de geldlening.
Belanghebbende heeft een inkomen hoger dan de voor hem geldende bijstandsnorm ingevolge de Participatiewet. Voor dat deel van het inkomen dat hoger is dan de voor belanghebbende geldende bijstandsnorm ingevolge de Participatiewet is het uitgangspunt dat belanghebbende vijftig procent van dit inkomen dient aan te wenden ter aflossing van de geldlening. Ook bij geldleningen die zijn ontstaan als gevolg van verwijtbare gedragingen.
Artikel 11
Aflossing van bijstand in de vorm van een geldlening
Onderdeel van Beleidsregels terugvordering, verhaal en invordering Participatiewet, IOAW, IOAZ en BBZ 2026