Naar hoofdinhoud

Artikel 13

Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en pgb’s

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Westerkwartier 2020

1.. Een cliënt is in principe een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura dan wel persoonsgebonden budget, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt. 2.. Als een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget wordt verstrekt voor een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt wordt de bijdrage in de kosten opgelegd aan: de onderhoudsplichtige ouders of; degene die anders dan de ouders samen met de ouder het gezag over de cliënt uitoefent. 3.. In afwijking van het vorige lid is in ieder geval geen bijdrage verschuldigd indien de ouders uit het gezag over de cliënt zijn ontheven of ontzet. 4.. De bijdrage in de kosten wordt vastgesteld conform het Uitvoeringsbesluit Wmo. 5.. De hoogte van de bijdrage overstijgt niet de kostprijs van de voorziening. 6.. De kostprijs van de maatwerkvoorziening in natura is gelijk aan de kosten die het college voor de desbetreffende maatwerkvoorziening zelf maakt. 7.. De kostprijs van een maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget is gelijk aan de hoogte van het persoonsgebonden budget. 8.. De kostprijs van een maatwerkvoorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder of op basis van deelovereenkomst maat-werkvoorzieningen Wmo 2019. 9.. In de gevallen bedoeld in artikel 2.1.4, zevende lid, van de wet, worden de bijdragen voor een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget door het CAK vastgesteld en geïnd. 10.. Wanneer meerdere Wmo voorzieningen verstrekt worden en/of wanneer er ook voor Wlz-zorg een eigen bijdrage opgelegd wordt, geldt het anticumulatiebeginsel. Het anticumulatiebeginsel bepaalt dat de cliënt per maand nooit meer betaalt dan het dan geldende abonnementstarief ongeacht de totale kosten van alle voorzieningen (Wmo en/of Wlz-zorg). 11.. Voor voorzieningen die in de vorm van een financiële tegemoetkoming worden verstrekt kan een eigen bijdrage verschuldigd zijn. 12.. Voor kosten voor onderhoud, reparatie en/of verzekering van een voorziening kan ook een eigen bijdrage worden opgelegd. 13.. In uitzondering op de voorgaande leden is geen eigen bijdrage (lees abonnementstarief) verschuldigd voor jeugdigen (onder 18 jaar), rolstoelvoorzieningen, het collectief vervoer, verhuiskostenvergoeding, woningaanpassingen in gemeenschappelijke ruimten, tijdelijke huisvesting, huurderving of voorzieningen met een waarde lager dan € 150,--. 14.. Wel is een (gereduceerde) bijdrage per gereisde kilometer verschuldigd voor het gebruik van collectief vervoer. Afspraken daarover worden gemaakt tussen de gemeente en de vervoerder. 15.. De eigen bijdrage voor de voorzieningen hulp bij het huishouden en begeleiding voor zowel in natura als persoonsgebonden moeten worden betaald zolang één of beide voorzieningen worden gebruikt. De “Kosten van de voorziening per maand” worden als volgt vastgesteld: het aantal uren ontvangen zorg in die maand , vermenigvuldigd met het uurtarief dat het college aan de zorgaanbieders betaalt. 16.. Voor voorzieningen die door de gemeente worden gehuurd, wordt een eigen bijdrage opgelegd zolang de voorziening gebruikt wordt. De hoogte wordt berekend door de huurprijs per maand om te rekenen naar een periode van 4 weken. 17.. De duur van te betalen eigen bijdrage voor vervoers- en woonvoorzieningen (ZIN/PGB) worden als volgt vastgesteld: Kostprijs € 150,00 tot € 999,00 - 13 periodes van 4 weken (lees 1 jaar) Kostprijs € 1.000,00 tot € 4.999,00 - 39 periodes van 4 weken (lees 3 jaar) Kostprijs € 5.000,00 tot € 9.999,00 - 65 periodes van 4 weken (lees 5 jaar) Kostprijs € 10.000 en meer - 91 periodes van 4 weken (lees 7 jaar) 18.. Voor de hoogte van de bijdrage wordt verwezen naar artikel 3.1 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel