Naar hoofdinhoud
Om te kunnen beoordelen of bijzondere bijstand kan worden toegekend en (indien van toepassing) wat de hoogte daarvan moet zijn, vindt er een draagkrachtrekening plaats. Bij bepaling van de draagkracht wordt uitgegaan van de in aanmerking te nemen middelen. Dit zijn inkomens- en vermogensbestanddelen die niet buiten beschouwing mogen worden gelaten bij de vaststelling van de draagkracht. In aanmerking te nemen middelen Bij de draagkrachtbepaling zijn de in aanmerking te nemen middelen gelijk aan de middelen genoemd in de artikelen 31 t/m 34 Participatiewet (die geldend zijn bij beoordeling van het recht op algemene bijstand). Dit betekent eveneens dat alle in de genoemde artikelen vermelde vrijstellingen van toepassing zijn. De hier genoemde in aanmerking te nemen middelen, zowel betrekking hebbend op inkomen als vermogen, zijn van toepassing bij de draagkrachtbepaling in alle gevallen van bijzondere bijstandsverlening. Dit is alleen anders indien in deze nota bij specifieke soorten bijzondere bijstand expliciet anders is bepaald (zie ook hieronder bij 'Uitzonderingen'). Van toepassing zijnde bijstandsnorm Bij het vaststellen van de draagkracht wordt het in aanmerking te nemen inkomen afgezet tegen de toepasselijke bijstandsnorm zoals bedoeld in de artikelen 20 tot en met 24 van de Participatiewet, inclusief de eventuele verlaging van de norm op grond van artikel 27 of 28 van de Participatiewet. De kostendelersnorm zoals bedoeld in artikel 22a van de wet is niet van toepassing op aanvragen bijzondere bijstand of de minimaregelingen. Voor deze aanvragen wordt aangenomen dat de belanghebbende de kosten niet kan delen met een ander. De kostendelersnorm is geïntroduceerd vanwege de schaalvoordelen van de algemeen noodzakelijke bestaanskosten, zoals woonlasten. De kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd betreffen individuele kosten waarvan de belanghebbende niet wordt geacht die te kunnen delen met medebewoners. Draagkracht De draagkracht wordt berekend over de in aanmerking te nemen middelen met inachtneming van de toepasselijke bijstandsnorm, exclusief vakantietoeslag. Als inkomensgrens voor het bepalen van de draagkracht geldt 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm (exclusief vakantietoeslag). Belanghebbenden met een inkomen lager dan 120% van het van de van toepassing zijnde bijstandsnorm hebben geen draagkracht. Het deel van het inkomen boven de inkomensgrens van 120% van de toepasselijke bijstandsnorm moet belanghebbende met inachtneming van onderstaande percentages aanwenden ter voldoening van de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd. Dit deel van het inkomen is iemands draagkracht. Het berekenen van de draagkracht gebeurt aan de hand van percentages: een draagkrachtpercentage van 20% voor dat deel van het inkomen dat minder bedraagt dan 130% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, een draagkrachtpercentage van 50% voor dat deel van het inkomen dat tussen 130% en 150% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm ligt, en een draagkrachtpercentage van 100% voor dat deel van het inkomen dat meer bedraagt dan 150% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. De draagkracht in het inkomen wordt gebaseerd op het inkomen voorafgaande aan de maand van de aanvraag of voorafgaande aan de maand waarin de kosten worden gemaakt door: bij een vast inkomen uit te gaan van het inkomen in de voorafgaande maand. bij een onregelmatig inkomen uit te gaan van het gemiddelde inkomen over de drie voorafgaande maanden. bij inkomen uit een zelfstandig bedrijf of beroep uit te gaan van het inkomen over het kalenderjaar voorafgaand aan de bijzondere bijstandsaanvraag. Basis hiervoor is primair de (voorlopige) fiscale aanslag over dat jaar. Voor het vermogen wordt aangesloten bij het de grens van het in aanmerking te nemen vermogen. Als het vermogen van de alleenstaande, de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of het gezin op de aanvraagdatum meer bedraagt dan het geldende bescheiden vrij te laten vermogen (artikel 34, derde lid Participatiewet), kan geen beroep worden gedaan op bijzondere bijstand. Het is bij wijze van uitzondering toegestaan een bedrag van maximaal € 5.000 per persoon te reserveren voor begrafenis of crematie. Het geld moet blijkens over te leggen bewijsstukken voor deze bestemming apart zijn gezet. Ook moet het niet mogelijk zijn dit geld aan iets anders te besteden. Draagkrachtperiode In artikel 35, eerste lid Participatiewet is voorts geregeld dat het college het begin en de duur bepaalt van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking worden genomen. Deze zogenaamde draagkrachtperiode wordt gesteld op twaalf maanden en gaat in op de eerste van de maand waarin de (eerste) aanvraag is ingediend. Uitzonderingen Bij beoordeling van aanvragen bijzondere bijstand dient voor het bepalen van de draagkracht te worden uitgegaan van de in aanmerking te nemen middelen. Hiervoor geldt een algemene uitzondering en een aantal specifieke uitzonderingen. Algemene uitzondering: Indien een wettelijk (Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen) of een minnelijk (3-jarig) schuldbemiddelingstraject wordt doorlopen, is de hoogte van het in aanmerking te nemen inkomen gelijk aan de toepasselijke bijstandsnorm. Specifieke uitzonderingen: Daarnaast zijn er bijzondere uitzonderingen die betrekking hebben op de in aanmerking te nemen middelen en de draagkrachtberekening. Dit geldt voor de volgende soorten bijzondere bijstand Collectieve aanvullende zorgverzekering Kindpakket Declaratieregeling Maatschappelijke Participatie Regeling verborgen kosten die samenhangen met een langdurige zorgvraag, chronisch ziekte of handicap Individuele inkomenstoeslag Individuele studietoeslag Eigen bijdrage WMO-maatwerkvoorzieningen Woonkostentoeslag Zie voor de hierboven genoemde uitzonderingen de hoofdstukken/paragrafen waarin de betreffende onderwerpen zijn opgenomen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel