De aanwijzing van de plaats van het graf geschiedt met inachtneming van het bepaalde in artikel 16 door het college.
Tot de begraving of bijzetting wordt niet overgegaan dan nadat:
a. de beheerder, indien deze heeft geconstateerd dat aan de in de artikelen 3, 4 en 5 opgenomen vereisten is voldaan, hiervoor instemming heeft verleend;
b. de beheerder van de begraafplaats de identiteit van de overledene heeft vastgesteld.