Naar hoofdinhoud
1.. Vergrijpboeten kunnen alleen worden opgelegd indien sprake is van grove schuld of opzet. 2.. In geval van grove schuld legt de heffingsambtenaar een vergrijpboete op van 25 procent. 3.. In geval van opzet legt de heffingsambtenaar een vergrijpboete op van 50 procent. 4.. Voor het bepalen van de grondslag van de vergrijpboete wordt, voor zover sprake is van opzet of grove schuld, aangesloten bij de feitelijk geheven belasting. Dit geldt ook indien de omvang van de feitelijk geheven belasting is vastgesteld met toepassing van de omkering van de bewijslast. 5.. Indien bij het opleggen van een vergrijpboete slechts een gedeelte van de verschuldigde belasting door opzet of grove schuld van belanghebbende te weinig is of zou zijn geheven dan wel betaald, berekent de heffingsambtenaar de boete over dat – naar evenredigheid bepaalde – gedeelte. 6.. Het vorige lid vindt overeenkomstige toepassing indien meer dan één boetepercentage moet worden toegepast. 7.. Indien sprake is van vrijwillige verbetering (zie artikel 5) met betrekking tot een aangiftebelasting legt de heffingsambtenaar geen vergrijpboete op grond van artikel 67f van de AWR op. 8.. Indien sprake is van inkeer (zie artikel 5) na twee jaar met betrekking tot een aanslagbelasting kan de heffingsambtenaar een vergrijpboete opleggen. Inkeer is een strafverminderende omstandigheid (zie artikel 67n van de AWR en artikel 7).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel