De gemeente Doetinchem heeft bij het doen van onderzoek als doelstelling om ook zorgmijdende gezinnen te bereiken. De houding en werkwijze van de jeugd- en gezinswerkers kenmerkt zich door een respectvolle doch vasthoudende benadering indien de veiligheid of ontwikkeling van het kind in gevaar is. Waar nodig wordt extra expertise ingezet.
De jeugd- en gezinswerker onderzoekt in een of meerdere gesprekken met de jeugdige en/of zijn ouders en waar gewenst de cliëntondersteuner, vertrouwenspersoon, betrokken hulpverlener en/of derden, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig wat de behoefte aan jeugdhulp inhoudt. Hierbij wordt de jeugdige zoveel mogelijk betrokken en altijd in samenhang gezien met zijn context. Daarbij staat centraal dat de jeugdige zijn mening vrij moet kunnen uiten, indien nodig wordt apart met de jeugdige in gesprek gegaan. Een jeugdige van twaalf jaar en ouder wordt altijd betrokken, mits deze daartoe in staat is. Het onderzoek wordt uitgevoerd aan de hand van de punten zoals vermeld in bijlage III en omvat in ieder geval:
de aard en ernst van de opgroei‐ of opvoedingsproblemen, de psychische problemen en stoornissen;
de behoeften, persoonlijkheid, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige;
het vermogen van de jeugdige en/of zijn ouders om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden, waarbij duidelijk wordt gemaakt wie wat doet;
de mogelijkheid om aanspraak te maken op een andere (voorliggende) voorziening;
de mogelijkheid om de hulpvraag te beantwoorden door inzet van een algemene voorziening, waaronder het collectief aanbod van het Buurtplein;
de mogelijkheid om een individuele voorziening te treffen en het beoogde doel daarvan;
de wijze waarop de individuele voorziening wordt afgestemd op andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen;
hoe rekening moet worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders.
Het college informeert de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger over de gang van zaken bij het onderzoek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure.
Bij het onderzoek wordt aan de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor de verstrekking van een pgb. De jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger wordt in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de gevolgen van die keuze.
De jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger verschaffen het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen.
Als de behoefte aan jeugdhulp genoegzaam bekend is, kan het college in overleg met de cliënt afzien van een gesprek of besluiten tot een verkort gesprek of telefonisch gesprek.
Het college kan een andere professional of een door haar daartoe aangewezen externe onafhankelijke adviesinstantie om advies vragen als zij dit van belang acht voor het onderzoek, op basis van anonieme cliëntgegevens. Deze bevoegdheid strekt zich ook uit indien de cliënt een aanvraag heeft ingediend.
De jeugd- en gezinswerker kan, met instemming en op verzoek van de jeugdige en/of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger, informatie inwinnen bij andere instanties, zoals de huisarts of het onderwijs, en met hen in gesprek gaan over de meest aangewezen hulp, waaronder ook inzetten/versterken eigen kracht en/of sociale omgeving en het inzetten van algemene, andere of overige voorzieningen.
Het onderzoek wordt altijd vastgelegd in een verslag of gezinsplan, tenzij met de jeugdige en/of ouder anders wordt afgesproken. Indien gewenst kan zowel een gezinsplan als verslag als aanvraag voor een individuele voorziening dienen.
Zelfredzaamheid-Matrix (ZRM)
De jeugd- en gezinswerker brengt aan de hand van onder andere de ZRM de situatie van de jeugdige en/of ouders in kaart. De gemeente Doetinchem kiest ervoor om aan de hand van elf domeinen van het dagelijks leven de mate van zelfredzaamheid te beoordelen. Als rode draad door deze levensdomeinen lopen de ontwikkelingspsychologische begrippen aanleg, affectieve basis en omgevingsfactoren. De levensdomeinen hangen dan ook met elkaar samen en zijn respectievelijk:
financiën;
dagbesteding;
huisvesting;
huiselijke relaties;
geestelijke gezondheid;
lichamelijke gezondheid;
verslaving;
Activiteiten Dagelijks Leven (afgekort ADL;
sociaal netwerk;
maatschappelijke participatie;
justitie.
Artikel 4