1. Het college stelt ambtshalve of op schriftelijk verzoek van een belanghebbende vast of een belanghebbende behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie.
2. Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht:
a. een belanghebbende moet behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 7, eerste lid onderdeel a van de PW of artikel 10d, tweede lid van de PW;
b. de belanghebbende is niet in staat met voltijdse arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen; en
c. de belanghebbende heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie.
3. Het college kan advies inwinnen over het oordeel of een belanghebbende tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. De adviseur neemt daarbij de in het tweede lid neergelegde criteria in acht.
4. Om de loonwaarde vast te stellen:
a. wordt er een melding gedaan bij het UWV voor registratie; en
b. maakt het college gebruik van een gecertificeerde en daarmee geobjectiveerde methode en applicatie die ten minste voldoet aan de Regeling loonkostensubsidie van de PW en waarvoor binnen de arbeidsmarktregio uniform is gekozen.
5. De hoogte van de Loonkostensubsidie wordt gemaximaliseerd, de Loonkostensubsidie bedraagt het verschil tussen het (bruto) WML (met vakantietoeslag) en de vastgestelde loonwaarde (bruto) met vakantietoeslag. De Loonkostensubsidie bedraagt maximaal 70% WML (met vakantietoeslag), vermeerderd met een vergoeding voor de werkgeverslasten á 23,5% (norm 2019).
6. Voor de loonkosten boven het wettelijk minimumloon ontvangt de werkgever geen Loonkostensubsidie. Die kosten moet de werkgever zelf dragen.
7. Bijkomende kosten, te denken aan werkvoorzieningen zie artikel 2.19 van deze verordening, worden separaat beoordeeld en zijn geen onderdeel van de Loonkostensubsidie.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.11
Loonkostensubsidie
Onderdeel van VERZAMELVERORDENING PARTICIPATIEWET, IOAW, IOAZ GEMEENTE BRUMMEN