1. Het is van belang dat een belanghebbende vanuit zijn intrinsieke motivatie deelneemt aan de maatschappij. Activiteiten die in dit kader worden verricht zijn redenen om geen tegenprestatie op te leggen.
2. Het college kan een belanghebbende met een grote afstand tot de arbeidsmarkt een tegenprestatie opdragen.
3. Indien reeds activiteiten worden verricht in het kader van het plan van aanpak als bedoeld in artikel 2.2 vijfde lid van deze verordening, wordt geen tegenprestatie opgedragen.
4. Het college draagt geen tegenprestatie op indien geen werkzaamheden voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie.
5. Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening met de volgende factoren:
a. de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht door een belanghebbende;
b. de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende moeten in overweging worden genomen bij de bepaling of en welke tegenprestatie kan worden opgedragen.
6. Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die werkzaamheden:
a. worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de organisatie waarin ze worden verricht;
b. niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt;
c. niet strijdig zijn met de doelstelling(en) van het plan van aanpak en de toeleiding naar de arbeidsmarkt ondersteunen dan wel in ieder geval niet in de weg staan.
7. Het college kan ter nadere uitvoering van de tegenprestatie nadere regels vaststellen waarin wordt vastgelegd welke aanvullende werkzaamheden het college in ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen.
8. De duur en omvang van de tegenprestatie worden bepaald in het plan van aanpak.
9. De tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal vier uur per week gedurende maximaal drie maanden.
10. De tegenprestatie kan binnen een periode van twaalf maanden maximaal viermaal worden opgedragen voor een periode zoals bepaald in het achtste lid.
11. Het college draagt geen tegenprestatie op indien een belanghebbende aantoonbaar mantelzorg verricht voor minimaal 20 uur per week voor een minimale periode van 3 maanden en voor zover het verrichten van mantelzorg naar het oordeel van het college redelijkerwijs noodzakelijk is.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.21
Tegenprestatie
Onderdeel van VERZAMELVERORDENING PARTICIPATIEWET, IOAW, IOAZ GEMEENTE BRUMMEN