1. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2020, onder gelijktijdige intrekking van:
de verordening Participatiewet Brummen 2015 zoals vastgesteld op 25 juni 2015;
de verordening maatregelen Participatiewet, IOAW, IOAZ, Bbz 2015 zoals vastgesteld op
18 december 2014;
de verordening individuele inkomenstoeslag 2015 zoals vastgesteld op 25 juni 2015;
de verordening individuele studietoeslag 2015 zoals vastgesteld op 25 juni 2015;
de verordening bestuursrechtelijke geldschulden sociale zekerheid 2015 zoals vastgesteld op
18 december 2014;
de verordening Maatregelen Minimabeleid “Meedoen in Brummen” zoals vastgesteld op 16 oktober 2014;
de verordening stimuleringsbudget minimabeleid zoals vastgesteld op 16 oktober 2014.
2. Een belanghebbende die gebruik maakt van een toegekende voorziening op grond van de verordening Participatiewet Brummen 2015, die moet worden beëindigd op grond van deze verordening, behoudt deze voorziening voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de verordening Participatiewet 2015 voor de duur:
a. van 12 maanden, gerekend vanaf de inwerkingtreding van deze verordening, of;
b. dat deze is verstrekt, als dat korter is dan de periode als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.
3. Het college kan na afloop van de in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde periode, besluiten of een voorziening wordt voortgezet.
4. Nadere regels en beleidsregels gebaseerd op:
de verordening Participatiewet Brummen 2015;
de verordening maatregelen Participatiewet, IOAW, IOAZ, Bbz 2015;
de verordening individuele inkomenstoeslag 2015;
de verordening studietoeslag 2015;
de verordening bestuursrechtelijke geldschulden sociale zekerheid 2015;
de verordening maatregelen minimabeleid ‘Meedoen in Brummen’’;
berusten vanaf het tijdstip van inwerkingtreding op de verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ.
Hoofdstuk 6
Artikel 6.6
Inwerkingtreding en overgangsrecht
Onderdeel van VERZAMELVERORDENING PARTICIPATIEWET, IOAW, IOAZ GEMEENTE BRUMMEN