Een alleenstaande jonger dan 21 jaar wordt geacht thuiswonend te zijn bij zijn ouder(s), tenzij hij voldoet aan de criteria die gelden om uitwonen toe te staan. Deze criteria zijn:
beide ouders zijn overleden;
beide ouders hebben hun hoofdverblijf in het buitenland;
een ouder is overleden, de andere ouder heeft zijn hoofdverblijf in het buitenland;
de alleenstaande is buiten het gezinsverband geplaatst op grond van de Wet op de jeugdhulpverlening;
de alleenstaande woont op de ingangsdatum van de bijstandsverlening reeds langer dan twaalf maanden niet meer op het adres van de ouder(s).
De alleenstaande, die voldoet aan ten minste één van de criteria als boven bedoeld en voor wie de norm voor een alleenstaande jonger dan 21 jaar niet toereikend is om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan, heeft recht op aanvullende bijzondere bijstand ter bestrijding van die kosten.
De aanvullende bijzondere bijstand bedraagt het verschil tussen 50% van de norm voor gehuwden waarvan beide echtgenoten 21 jaar of ouder zijn doch jonger dan de pensioen-gerechtigde leeftijd en de norm voor een alleenstaande van 18,19 of 20 jaar per maand. Telkens wanneer de landelijke normen gewijzigd en aangepast worden, passen wij dit bedrag dienovereenkomstig aan.
Hoofdstuk
Artikel 12.
Bijzondere bijstand aan uitwonende alleenstaanden jonger dan 21 jaar
Onderdeel van Beleidsregels bijzondere bijstand en minimabeleid Leidschendam-Voorburg 2020