Naar hoofdinhoud

Artikel 10

Termijnen van betaling

Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2020

In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet gelden de termijnen zoals gesteld in het eerste tot en met het vierde lid: De voorlopig gevorderde bedragen en het definitief gevorderde bedrag moeten tegelijk worden betaald met en op dezelfde wijze als die waarop de voorschotnota’s en de eindafrekeningsnota van het waterbedrijf moeten worden betaald. De door de gemeente rechtstreeks opgelegde aanslagen moeten worden betaald in één termijn die vervalt op de laatste dag van de tweede maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. Wanneer door belastingplichtige toestemming is verleend voor automatische incasso, moet de aanslag, als bedoeld in het tweede lid, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen of als het aanslagbiljet maar een aanslag bevat, het bedrag daarvan meer is dan € 30,00 en minder is dan € 1.750,00, en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand, volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens één maand later. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in dit artikel gestelde termijnen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel