Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1

Artikel 6.

Afwijzingscriteria

Onderdeel van Verordening Jeugdhulp en Maatschappelijke ondersteuning gemeente Heerde 2020

Er wordt geen individuele voorziening, maatwerkvoorziening of tegemoetkoming meerkosten verstrekt indien: de cliënt niet zijn hoofdverblijf heeft in de gemeente Heerde; er een voorliggende voorziening is; de voorziening voor de cliënt gebruikelijk is; het gebruik van een voorziening voor de cliënt zelf of voor derden onveilig is of gezondheidsrisico’s met zich meebrengt; de aanvraag betrekking heeft op reeds gemaakte kosten en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was; er geen sprake is van aantoonbare meerkosten; de maatwerkvoorziening uitsluitend therapeutische doeleinden heeft. aanwezigheid gebruikelijke hulp (Wmo) In aansluiting op de artikelen 1.2.1, onder a. en 2.3.5 lid 3 van de wet wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt voor zover de cliënt de problematiek waarvoor in het gegeven geval een maatwerkvoorziening wordt aangevraagd, kan verminderen of wegnemen: door gebruik te maken van zijn eigen kracht; met gebruikelijke hulp van huisgenoten; met mantelzorg of hulp van anderen uit zijn sociale netwerk; door gebruik te maken van algemene voorzieningen; door gebruik te maken van algemeen gebruikelijke zaken of diensten. Bij het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4. onder b. van de wet beoordeelt het college of er gebruikelijke hulp van huisgenoten als bedoeld in artikel 1.1.1 lid 1 Wmo 2015 beschikbaar is. Huisgenoten van de cliënt zijn verplicht, als zij daarom gevraagd worden, aan het college de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van het onder a. genoemde onderzoek, alsmede bij heronderzoek als bedoeld in artikel 2.3.9 van de wet. Bij de beoordeling als bedoeld in het artikel 6 lid h onder ii, onder a. wordt, voor zover daartoe aanleiding is, rekening gehouden met: de samenstelling van de leefeenheid van de cliënt en diens huisgenoot of huisgenoten; de aard van de relatie tussen de cliënt en diens huisgenoten; de inhoudelijke aard, de omvang en de complexiteit van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt; de beschikbaarheid en de praktische, lichamelijke en geestelijke mogelijkheden van de huisgenoot of de huisgenoten voor het ondersteunen van de cliënt bij diens zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving; de mate waarin en de wijze waarop de cliënt voorafgaand aan de melding is ondersteund door diens huisgenoot of huisgenoten op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving; overige relevante omstandigheden van de huisgenoot of huisgenoten van de cliënt die redelijkerwijs van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om de cliënt hulp te bieden op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving. aanwezigheid van eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (Jeugd) Een individuele voorziening voor jeugdhulp wordt niet verstrekt als uit het onderzoek blijkt dat de jeugdige en de ouders op eigen kracht kunnen voorzien in of bijdragen aan het oplossen van de opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen. Bij het beoordelen van de eigen kracht heeft het college als uitgangspunt dat de ouders en andere verzorgers en opvoeders in eerste instantie verantwoordelijk zijn voor het verzorgen en opvoeden van de jeugdige en het houden van toezicht. Zij doen alles wat binnen hun mogelijkheden past om ervoor te zorgen dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien. Deze verantwoordelijkheid geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening of beperking heeft. Om te bepalen wat de jeugdige en de ouders op eigen kracht kunnen oplossen, beoordeelt het college in ieder geval: De behoeften en mogelijkheden van de jeugdige; De voor de jeugdige benodigde ondersteuningsintensiteit en de duur daarvan; De mogelijkheden, de draagkracht en de belastbaarheid van de ouders; De samenstelling van het gezin en de woonsituatie; Het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen, waarbij geen financiële draagkrachtmeting wordt gedaan; De mogelijkheden van het sociale netwerk om de jeugdige en de ouders te ondersteunen; De mogelijkheid om gebruik te maken van voorliggende (wettelijke) voorzieningen; Overige relevante omstandigheden van de jeugdige en de ouders die redelijkerwijs van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om de benodigde hulp zelf te bieden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel