Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 3

Artikel 3.1

De door het college noodzakelijk te achten vervoersvoorziening

Onderdeel van Nadere regels jeugdhulp gemeente Zoetermeer 2019

1.. Het uitgangspunt is dat ouders verantwoordelijk zijn voor het arriveren van hun kind op de locatie van de jeugdhulp. Deze verantwoordelijkheid omvat ook de bekostiging van het vervoer. 2.. In bepaalde gevallen kan het college ten behoeve van het bezoek aan een locatie voor jeugdhulp een vervoersvoorziening toekennen. 3.. Een vervoersvoorziening kan alleen worden toegekend indien: er een beschikking voor een individuele voorziening jeugdhulp wordt afgegeven waarop de vervoersaanvraag ziet; jeugdigen en ouders aannemelijk hebben gemaakt dat er een noodzaak bestaat tot het inzetten van de voorziening; er sprake is van onvoldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de ouders en andere personen die tot het sociale netwerk behoren om in het vervoer te voorzien en er zijn geen mogelijkheden om met de inzet van een andere voorziening of overige voorziening te voorzien in het vervoer. 4.. Het bestaan van een noodzaak wordt aannemelijk gemaakt indien: er sprake is van een medische noodzaak bij de jeugdige; of er sprake is beperkingen in de zelfredzaamheid van de jeugdige, waardoor het zelfstandig reizen niet mogelijk is. 5.. Jeugdigen en ouders dienen naar aanleiding van een verzoek van het college binnen twee weken een aanvraag voor een voorziening zoals bedoeld in het derde lid, onderdeel d, in te dienen. Bij toewijzing wijst het college de aanvraag voor jeugdhulpvervoer (deels) af. Als aan het verzoek van het college om een aanvraag in te dienen niet binnen twee weken door jeugdigen en ouders gevolg wordt gegeven, wordt de aanvraag voor jeugdhulpvervoer afgewezen. 6.. Indien de aanvraag wordt afgewezen, dan worden de ouders geacht zelf het vervoer van en naar de locatie waar jeugdhulp wordt geboden te organiseren en te bekostigen.

Rechtspraak bij dit artikel