Naar hoofdinhoud
Omschrijving resultaat Client kan zich verplaatsen in de directe woon- en leefomgeving De directe woon- en leefomgeving betreft 15-20 km rond de woning. Openbaar vervoer bereikbaar en bruikbaar. De cliënt komt in aanmerking voor een vervoersvoorziening indien hij, op basis van zijn beperkingen, het openbaar vervoer niet kan bereiken of gebruiken. Kan de cliënt 800 meter zelfstandig, al dan niet met hulpmiddelen en in een redelijk tempo, lopen dan wordt de cliënt in staat geacht het openbaar vervoer te kunnen bereiken. Zelfstandig gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer kan ook beperkt worden door: niet in staat zijn om in en uit te stappen bij het gebruik van het openbaar vervoer; lijden aan een verstandelijke handicap/psychische problematiek (dus ook dementie); lijden aan visuele problematiek (slechtziend/blind); Soorten vervoersvoorzieningen Bij het bepalen van de goedkoopst passende vervoersvoorziening wordt rekening gehouden met vervoersbehoefte, frequentie, sociale en medische omstandigheden. Vervoersbehoefte De vervoersbehoefte van de cliënt (tot een maximum van 2000 km per jaar) dient als uitgangspunt om te bepalen welke vervoersvoorzieningen noodzakelijk zijn. De volgende bestemmingen worden hierin meegenomen: Sociale contacten (Sport)verenigingen en culturele activiteiten Vervoer van kinderen naar school door ouder met een beperking Supermarkt, winkels, kapper Huisarts, tandarts, fysiotherapeut Voor het vervoer naar het ziekenhuis (zittend ziekenvervoer), werk of onderwijs geldt dat er voorliggende voorzieningen zijn. Primaat collectief vervoer Collectief vervoer is een vorm van gedeeld vervoer specifiek gericht op mensen met een beperking. Bij vervoersvoorzieningen geldt het primaat van het collectief vervoer. Er moet een afweging worden gemaakt tussen de vervoersmogelijkheden van het collectief vervoer en de kenmerken van de cliënt, zijn beperkingen en vervoersbehoeften. Pas indien de cliënt geen gebruik daarvan kan maken of wanneer collectief vervoer geen passende voorziening is, wordt een andere maatwerkvoorziening verstrekt. Aantal zones Dit is binnen het collectief vervoer vertaald in een toekenning van maximaal 590 zones per jaar. Een uitzondering op het aantal zones kan worden gemaakt vanwege de persoonlijke situatie of vervoersbehoefte van de cliënt. Zo kan een uitzondering worden gemaakt indien: de partner, een kind of de ouders van de cliënt in een instelling verblijven of bij frequent bezoek aan ziekenhuis/arts/fysiotherapie de cliënt gebruik maakt van de huiskamer Plus Begeleiding tijdens vervoer Als er tijdens de rit medisch noodzakelijke begeleiding (verzorging, toediening van medicatie, noodzaak van voortdurende begeleiding) nodig is, kan één begeleider kosteloos mee reizen (niet persoonsgebonden), via de OV-begeleiderskaart. Maatwerkvoorziening voor vervoer Indien het collectief vervoer niet, of niet geheel, kan voorzien in de vervoersbehoefte, kan er een (aanvullende) maatwerkvoorziening worden toegekend. Bij een maatwerkvoorziening, zoals een driewielfiets of scootmobiel, moet er voldoende verkeersinzicht zijn om veilig aan het verkeer te kunnen deelnemen. Het college kan een rijvaardigheidsproef laten afnemen door een deskundige. Scootmobiel of elektrische buitenrolstoel De verstrekking van een scootmobiel gaat voor op de verstrekking van een elektrische buitenrolstoel. Er wordt slechts één van beide verstrekt. Een scootmobiel wordt geïndiceerd indien de cliënt: zonder begeleider zelf zijn bestemming kan bepalen en vinden; regelmatig korte afstanden buitenshuis moet afleggen (blijkend uit vervoersbehoefte); niet in staat is om in een rustig tempo 800 meter te kunnen lopen, fietsen of bromfietsen; tegen weersinvloeden bestand is gedurende een groot deel van het jaar; kan in- en uitstappen (overschuiven); een goede zitbalans heeft; beschikt over stallings- en opladingsmogelijkheden; het voertuig kan bedienen en besturen. Autoaanpassing Er wordt gekozen voor een autoaanpassing als de kosten ervan goedkoper zijn dan een andere vervoersvoorziening. Ook kan een autoaanpassing worden toegekend als er geen andere geschikte vervoersoptie is. Hierbij wordt rekening gehouden met het aantal jaren dat de autoaanpassing gebruikt kan worden. In het algemeen geldt dat de aan te passen auto niet ouder mag zijn dan 3 jaar. De aanpassingen moeten nog minimaal 5 jaar meegaan. Is een auto ouder dan 3 jaar, dan dient een onderzoek ingesteld te worden naar de technische staat en de te verwachten levensduur van de auto. Als de cliënt een tweedehands aangepaste auto aanschaft, kunnen de extra kosten van de aanpassing worden vergoed. Het college kan zich ten aanzien van autoaanpassingen laten adviseren door een derde partij. Onder een autoaanpassing vallen de kosten van de aanpassing zelf, inclusief een eventuele keuring achteraf.

Rechtspraak bij dit artikel