Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2.

Artikel 2.1

ALGEMEEN BEOORDELINGSKADER

Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Maasgouw 2020

Bij het beoordelen van aanspraken moet worden gekeken naar: Is de cliënt inwoner van de gemeente? Wat zijn de hulpvraag, problemen en beperkingen van de cliënt? Welke hulp is nodig om de hulpvraag op te lossen en het gewenste effect te bereiken? Valt de cliënt onder de doelgroep van de wet? Zijn er andere mogelijkheden, zoals de eigen kracht, mantelzorger(s) of iemand uit het sociale netwerk? Is sprake van gebruikelijke hulp? Zijn er (deels) algemeen gebruikelijke voorzieningen beschikbaar? Zijn er (deels) algemene voorzieningen beschikbaar? Zijn er (deels) andere voorzieningen beschikbaar? Welke aanvullende maatwerkvoorzieningen zijn vanuit de Wmo nog nodig om de hulpvraag op te lossen en het gewenste effect te bereiken. Doelgroep van de Wmo De doelgroep bestaat uit personen die in verband met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit hun sociale netwerk niet voldoende zelfredzaam zijn of in staat zijn tot participatie. Kinderen die jonger zijn dan 18 jaar vallen, voor wat betreft maatwerkvoorzieningen, alleen onder de doelgroep als het gaat om hulpmiddelen, woningaanpassingen en vervoer (uitsluitend naar sociale activiteiten). Inwoners met een Wlz-indicatie komen niet of niet langer voor Wmo voorzieningen in aanmerking. Vanaf 2020 worden nieuwe mobilteitshulpmiddelen (zowel rolstoelen als vervoersvoorzieningen) via de Wlz verstrekt. Mensen met een Wlz-indicatie die een hulpmiddel gebruiken dat is verstrekt vanuit de Wmo, houden hun hulpmiddel tot deze aan vervanging toe is. Eigen verantwoordelijkheid De eigen verantwoordelijkheid van de inwoner is een belangrijk uitgangspunt van de wet. De wet is uitsluitend bedoeld om mogelijkheden te bieden door middel van voorzieningen als het niet in iemands eigen vermogen ligt het probleem zelf of met hulp van mantelzorgers, huisgenoten en personen uit het sociale netwerk op te lossen. Tot die eigen verantwoordelijkheid van de ingezetene behoort ook dat hij een beroep doet op familie en vrienden – zijn eigen sociale netwerk – alvorens hij bij de gemeente aanklopt voor hulp. Het is immers heel normaal dat mensen iets doen voor hun partner, familielid of goede vriend als die niet geheel op eigen kracht kan deelnemen aan de samenleving. Met de Wmo 2015 wil de regering het automatisme doorbreken dat ingezetenen zich bij elke hulpvraag tot de overheid wenden. Onder de eigen verantwoordelijkheid wordt de eigen kracht, de hulp van mantelzorgers, de hulp van personen uit het sociale netwerk en gebruikelijke hulp verstaan. Gebruikelijke hulp Onder gebruikelijke hulp wordt verstaan de hulp en zorg die huisgenoten elkaar bieden en behoren te bieden bij het voeren van een huishouden, of het uitvoeren van noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen. Hieronder wordt onder andere verstaan: aan- en uitkleden, zichzelf wassen, eten bereiden en opeten, begeleiding bij het uitvoeren of aansturen van dagdagelijkse taken. Gebruikelijke hulp is niet van toepassing als: De huisgenoot geobjectiveerde beperkingen heeft (d.w.z. door een arts vastgesteld) en/of kennis/vaardigheden mist om gebruikelijke hulp ten behoeve van de cliënt uit te voeren en deze vaardigheden niet kan aanleren. Een huisgenoot overbelast is of dreigt te raken, totdat deze (dreigende) overbelasting is opgeheven. Om de dreigende overbelasting op te heffen kan een voorziening voor 3 maanden worden toegekend. Daarbij geldt het volgende: wanneer de huisgenoot zijn (dreigende) overbelasting kan oplossen, eventueel met behulp van een voorliggende voorziening, dan wordt verwacht dat hij dit doet, of dat hij van deze voorziening gebruik maakt. voor zover de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door maatschappelijke activiteiten, gaat het verlenen van gebruikelijke hulp voor op die maatschappelijke activiteiten. Dit geldt niet voor school of werk. Het college kan de (dreigende) overbelasting door een deskundige laten onderzoeken. Algemeen gebruikelijke voorzieningen Een algemeen gebruikelijke voorziening is een voorziening die voldoet aan de volgende criteria: de voorziening is in de reguliere handel verkrijgbaar; de voorziening wordt niet alleen door personen met een beperking gebruikt; de voorziening is niet duurder dan vergelijkbare producten. Er moet altijd in het individuele geval worden bekeken of de voorziening ook voor de cliënt in zijn specifieke situatie algemeen gebruikelijk is. Algemene voorzieningen Een algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten dat voor iedereen toegankelijk is en dat een bijdrage kan leveren aan de gevraagde maatschappelijke ondersteuning. Als een hulpvraag kan worden opgelost door de inzet van een collectieve voorziening dan gaat dit voor op een individuele verstrekking. Andere voorzieningen Andere voorzieningen zijn voorzieningen op grond van een andere wet, (bijvoorbeeld Zorgverzekeringswet of Wet langdurige zorg), of in de omgeving aanwezige voorzieningen die voor de cliënt beschikbaar en bereikbaar zijn op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen. Als de cliënt in aanmerking kan komen voor een andere voorziening, maar er voor kiest om daar geen gebruik van te maken, dan wordt er geen Wmo voorziening verstrekt. Aanvaardbaar niveau Het streven is om de persoon op het niveau van participatie en zelfredzaamheid te brengen dat bij zijn situatie past. Daarbij zijn met name van belang de situatie van betrokkene voordat hij geconfronteerd werd met zijn beperkingen, alsmede de situatie van personen in vergelijkbare omstandigheden en in dezelfde leeftijdscategorie die geen beperkingen hebben. Maar ook de mogelijkheden die er zijn, mede gelet op de persoonlijke situatie van de cliënt. Aanvaardbaar wil van de andere kant zeggen, dat de persoon zich er soms bij neer moet leggen dat er belemmeringen blijven, of dat hij enige beperkingen zal moeten accepteren. De door het college te bieden ondersteuning beperkt zich in die zin tot wat noodzakelijk is in het licht van de versterking of het behoud van zelfredzaamheid en participatie. De ondersteuning gaat niet zover dat het college rekening kan en moet houden met alle wensen van de cliënt, wat betreft bijvoorbeeld persoonlijke voorkeuren, smaak, comfort, levensovertuiging en gewoontes.

Rechtspraak bij dit artikel